
In de Noord-Brabanter van 14 april 1853 schreef men:
“Men meldt uit Hardenberg: In eene buurtschap, niet ver van hier, stond voor eenige dagen een reeds bejaarde weduwe pannenkoeken te bakken voor haren zieken zoon, toen zij plotseling uitriep ‘wat wordt ik raar’, een gil gaf en dood ter neder viel. Haar oudste zoon was onlangs gestorven en men zegt dat zij, hoorende, dat ook de toestand van den tweeden zeer gevaarlijk werd geacht, zoodanig door den schrik zoude getroffen zijn, dat dit haren dood ten gevolge had; hare dochter alhier dit geval vernemende, is er zoodanig van ontsteld, dat zij zich in bedenkelijken toestand bevindt, terwijl eene andere dochter bij Gramsbergen nog kraamvrouw zijnde en die bijkans hersteld was, thans niet buiten gevaar is.”
Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid betrof het hier Gerridina Vrielink. Zij overleed op 3 april 1853, op 65-jarige leeftijd. Zij was weduwe van Reiner Jonkhans (maar hertrouwd met Willem Meulman). Haar oudste zoon, Jan Jonkhans, was ongehuwd op 27 maart 1853 gestorven. De tweede zoon, Gerrit Jan Jonkhans, was mogelijk ziek, maar zou niet jong overlijden. Hij bleef ongehuwd, werd 91 jaar oud en stierf op 18 mei 1913. In de volksmond was zijn bijnaam: “Broes-oom”. De dochter die nog in de kraam lag, was Berendina Jonkhans, gehuwd met Roelof Beenen. Zij was op 30 maart 1853 bevallen van een zoon: Reindert.
Geef een reactie