Op de 16e van de wintermaand (december) 1810 verschenen de burgemeesters J. Santman Dzn. en R. Santman voor de stadssecretaris Antoni van Riemsdijk. Nadat Herm Veenebrugge had gemeld dat er bij hem thuis, op de Roeterskamp, een onbekende man was overleden, werd vastgesteld dat het ging om een lange man met zwart haar en bakkebaarden, bruine ogen en een spitse neus. Hij droeg een bruine wollen jas, een groenachtige Manchesterbroek en witte kousen.

Het lichaam van deze vreemdeling is vervolgens onderzocht door de chirurgijn F.C.W. Rathsmann, in aanwezigheid van de burgemeesters. Daarbij werden geen verwondingen of andere sporen van een gewelddadige dood gevonden. Het lichaam werd daarna aan de diakenen overgedragen voor kisten en begrafenis. Bij dit onderzoek bleek enkel dat het linnengoed van de overledene gemerkt was met de initialen H.J. en dat het geld dat hij bij zich had uitsluitend uit stuivers bestond.

De letterlijke transcriptie van deze registratie in het archief van het stadsgericht Hardenberg (toegang 0057.1) luidt:
Door Herm Veenebrugge aangegeven zijnde dat zo op het moment ten zijnen huize op den Roeterskamp was overleden zekeren vreemdeling, zijnde lang van postuur en hebbende zwarte hairen en bakbaarden, bruine oogen en spitse neus en zijnde gekleed met een bruine lakensche jas, Manchestersche groenächtige broek en witte kousen: – zo is het lijk deszelfden vreemdelings ten overstaan van praesidenten door den chijrurgijn F.C.W. Rathsmann geschoud en geene wondinge of andere geweldaadige doodsoorzaak aan hetzelve bevonden zijnde, hetzelve aan diaconen ten kisting en beäardiging overgegeeven. Zijnde bij opgemelde schouwe alleen gebleeken dat des overledenens linnen gemerkt was H.J. en dat ’t bij zig hebbende gelden in stuivers bestonden. In fidem, Ant. van Riemsdijk, secretaris.