In het vroege voorjaar van 1814, kort na de verdrijving van de Fransen uit het grootste deel van Nederland, maar terwijl de vesting Coevorden nog in vijandelijke handen was, bracht Zijne Doorluchtige Hoogheid Willem Frederik George Lodewijk, Erfprins van Oranje (de latere koning Willem II) een inspectiebezoek aan Hardenberg en omgeving.
Op 2 maart arriveerde de prins in de namiddag vanuit Delden via Ootmarsum. Bij de stadspoort werd hij verwelkomd door kolonel Queysen, bevelhebber van de troepen die de blokkade van Coevorden uitvoerden, en door burgemeester Antoni van Riemsdijk namens het stadsbestuur. Burgercompagnieën stonden opgesteld langs de straten en brachten onder klokgelui en gejuich hun militaire eerbewijzen. Het volk begroette de vorst met luidkeelse kreten van “Hoezee!” en “Vivat Oranje!”.
Voor het huis van de burgemeester ontving de prins de plaatselijke autoriteiten; militairen, bestuurders, geestelijken en enkele notabelen. Hij toonde zich welwillend en complimenteerde de Hardenbergse schutterijen voor hun discipline en keurige uitrusting. Vervolgens reisde hij door naar het Huis Heemse, het buitenverblijf van jonkheer Jacob van Foreest, dat hem voor de nacht als verblijf werd aangeboden. ’s Avonds waren zowel Hardenberg als Heemse feestelijk verlicht, terwijl de bevolking uitbundig haar trouw aan Oranje en het vaderland liet blijken.
De volgende ochtend, 3 maart 1814, nam de prins afscheid van zijn gastheer en vervolgde hij, begeleid door burgerwachten en lokale gezagsdragers, te paard zijn weg richting de Groote Scheer bij Coevorden om de blokkade van de Franse vesting met eigen ogen te aanschouwen.
Dit bezoek paste in de bredere tocht van de Erfprins langs de noordelijke en oostelijke gewesten, waar hij zich liet zien als vertegenwoordiger van het herstelde Huis van Oranje, de band met het volk versterkte en de laatste stappen in de bevrijding van Nederland van Franse overheersing van nabij volgde.

Onderstaand verslag werd gepubliceerd in de Departementale courant van de monden van de Yssel van 8 maart 1814:
Hardenbergh, den 4 maart. Ook deze stad en gemeente genooten eergisteren de eer den Doorluchtigen Oudsten zoon van onzen geliefden Souverein in haar midden te begroeten, daar Z.D.H. den heer Erfprins van Oranje, vergezeld van hoogstdeszelfs adjudant, den heer graaf van Limburg Styrum, op hoogstdeszelfs tour ter inspectie van de nog in ’s vijands handen zijnde vestingen dezer landen, alhier te dien dage, des achtermiddaags om vier uren, van Delden over Ootmarssum arriveerde. Z.D.H. werd buiten de stad door den heer colonel Queysen, commandeerende de blokkade der vesting Coevorden, en den heer burgemeester Van Riemsdyk geäccompagneerd door eene commissie uit den raad der gemeente, gecomplimenteerd, en het behaagde Z.D.H. de aan hoogstdenzelven gehoudene discoursen minzaamst te beantwoorden. Aan de barrière genaderd zijnde, vond Z.D.H. aldaar eene eerewagt uit de gewapende burger compagnien, gecommandeerd door de heeren kapitein Scherff en 2de luitenant Huurink, en voorts ter weerzijden der straat de compagnien zelve, aan het hoofd hebbende derzelver respective officieren, en haie geschaard en hoogstdezelve onder het slaan der rom de militaire honneurs bewijzende, terwijlj een algemeen en levendig gejuich van Hoezee! en Vivat Oranje, gepaard met het gelui der klokken van Hardenbergh en Heemse, de lucht deed weergalmen.
De koets van Z.D.H. hield voor het huis van den heer burgemeester stil, en het behaagde Hoogstdenzelven aan hetzelve af te stappen en aldaar audientie te verleenen aan de militaire, civiele, justitieele en kerkelijke authoriteiten en beambten, zoo als ook aan eenige particulieren; waarna Z.D.H., na inmiddels ook de gemelde compagnien voorbij hetzelfde huis te hebben zien defileeren en hoogstdeszelfs genoegen over derzelver goede houding, manoeuvres en propreteit der wapenrustingen aan de heeren colonel Queysen en kapitein Ansoms, deze laatste belast met derzelver organisatie, te hebben betuigd, wederom in het rijtuig stapte en onder het herhaald paradeeren der gewapende magt en vreugde gejuich der menigte naar het Huis te Heemse in deze gemeente, toebehorende aan den heer baron Van Foreest tot Petten, vertrok, hetwelk door den heer burgemeester tot hoogstdeszelfs nachtverblijf was bestemd. Op het Huis te Heemse gekomen zijnde, vond Z.D.H. aldaar wederom ter weerzijden der stoep de voormelde eerewagt geschaard, alsmede de heeren burger officieren Hoenderken en Pruim, als dienstdoende ordonnans officieren bij hoogstdenzelven. Uit het gemeentehuis, het huis van den heer burgemeester en van den heer Baron van Foreest waren Oranje Vlaggen uitgestoken; des avonds was de stad en het dorp Heemse geïllumineert, en de menigte hield niet op tot laat in de nacht de ondubbelzinnige blijken van hunne gehechtheid aan Vaderland en Oranje te geven.
Den volgenden morgen om 9 uur nam Z.D.H. een minzaamst afscheid van den heer Baron van Foreest en familie, bedankte vriendelijkst voor het genotene onthaal en vertrok, onder paradeering der meergemelde eerewagt en der gewapende burgercompagnien, het herhaald vreugdegejuich des volks en het gelui der klokken, vergezeld van hoogstdeszelfs heer adjudant en den heer burgemeester, te paard naar de Groote Scheer voor Coevorden, wordende daar na toe mede begeleid door den heer gemeenteraad Santman, den heer Vrederegter Pruim en eenige jonge lieden te paard.
Geef een reactie