Op 23 maart 1733 begon een rechtszaak voor het schoutengericht van Hardenberg tussen Gerrit Hendriks Wolbink te Ane en Hendrik Berents op ’t Wilpshaar te Lutten.
Vijf jaar eerder had Wolbink van Jan Alberts op ’t Wilpshaar, inmiddels overleden, enkele veenakkers gepacht tegen betaling in natura en een dag maaien per jaar. Hij gebruikte deze grond zonder problemen zolang Jan Alberts leefde. Nadat de weduwe van Jan Alberts op ’t Wilpshaar was hertrouwd met Hendrik Berents, eigende deze zich echter de gewassen toe: in de herfst had hij niet alleen de aren, maar ook het ingezaaide zaad laten weghalen. Wolbink kon slechts een deel van zijn boekweit zelf redden en naar huis brengen. De rest hield Hendrik achter, en naar Wolbinks zeggen zou hij die zelfs hebben laten dorsen en opgebruiken, als hij het hem niet bij de rechter had laten verbieden. Omdat minnelijke verzoeken niets opleverden, spande Wolbink als arme man, die van zijn arbeid voor vrouw en kinderen moest leven, een proces aan. Hij eiste de boekweit terug of de waarde ervan, door hem op dertig gulden geschat, plus de proceskosten.
Hendrik verscheen niet op de eerste zitting in maart en werd daarom in gebreke gesteld en opnieuw gedagvaard. In april voerde hij aan dat hij ziek was geweest en vroeg hij uitstel, terwijl hij de contumaciekosten wel wilde betalen. Hij verdedigde zich met het argument dat hij het land mét de veenakkers had gehuurd en dat hij de boekweit had weggehaald in opdracht van de markenrigter, omdat Wolbink het veen zou moeten laten liggen. Wolbink wees dit tegenargument af: hij had immers het recht tot inzaai en gebruik gepacht, en de markenrigter had daar geen zeggenschap over. Volgens hem moest Hendrik persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden.
Het gerecht stelde de zaak in beraad en besloot na vier weken, in mei, tot een uitspraak. Omdat Hendrik bij die gelegenheid opnieuw niet voldeed aan de verplichtingen en niet verscheen, werd het vonnis in zijn afwezigheid uitgesproken. Hij werd veroordeeld tot het terugbetalen van de volle waarde van de oogst en tot vergoeding van de proceskosten, alles overeenkomstig het geldend Landrecht van Overijssel.

Een transcriptie:
Hardenbergh, den 23 meert 1733. Compareerd in desen Edele Gerigte Gerrit Wolbink in desen geassisteert met procurator Baerselman, welke hij mits desen voor sijn bediende erkent. Voordragende ongeveer voor vijf jaeren onder anderen van wijlen Jan Alberts op ’t Wilpshaar te Lutten hebbe gehuird en in pagt gehad vijf veeneackers tot uijtsaijens toe, waervoor hij tot pagt jaerlijks soude geven de derde gast, en alle jaer een dagh grasmaijen. Welke veenakker dencomparant ook gerust en sonder eenige bespieringe heeft gebruikt en besaijt, en so langh den overleden Jan Alberts geleeft heeft. Ende nu eenen Hendrik Berents, weder an de weduwe hertrouwd sijnde, sig niet tegens alle regt heeft ontsien, in den voorleden herfst niet alleen van de voornoemde veenackers de gerve maar ook het gehele saet soo daerop verbout was, behalven de gerve seven vijme en sestien gasten boekweit uitmaekende. Welke den comparant suijver daervan konde en moste trecken van het veene weg te haelen en nae sijn huijs te Lutten gebraght. Dat hij hendrik Berents sig mede niet ontsien heeft deselve boekweite tot nu toe te behouden, en sekerlijk deselve al soude hebben laten dorschen en geconsumeerd indien hij comparant sulks niet gerigtelijk an hem had laeten interdiceren en verbieden. Dat hij comparant alle minnelijke interpellatiën heeft gedaan, dat sijne verboude boekweijte en voor soo verre hem daarvan is toekomende zijnde seven vijme en sestien gasten, wederom mogte bekomen, als een arm man zijnde, en sijn kost met de handen voor sijn vrou en kinderen moet winnen, dog alles te vergeefs, waerom hij ten uittersten genootdrongen is geworden, den voornoemden Hendrik Berents op ’t Wilpshaer op huijden te doen citeren en ex dictis dicendis nobiliter supplendis omni meliori modo te concluderen. Dat de gedaegde bij decreet of sententie van desen Edelen Gerigte sal worden gecondemneert om de weggehaelde boekweite aen den comparant wederom te sullen moeten restitueren of de waerde van dien, welke bij desen tenminsten begrood word op dertig guldens, en daer benevens gedoemt in de kosten en dit een saek onder de 25 goudguldens zijnde, deselven in sittende gerigte mag worden afgedaan. Met versoek dat de gedaegde daertoe moge worden aengeëist en bij non comparatie bedingende contumacie (*) en twede citatie als nae Landregte en ’t reglement etc., sullenende wesen den eersten regtdagh na Paesschen.
Hendrik Berents op het Wilpshaer behoorlijk sijnde aengeëijst en selfs ofte niemand sijnent wegen gecompareert sijnde, so wort de versogte contumacie (*) en 2de citatie als na Lantregte geaccordeert.
* Contumacie betekent: weerspannigheid of koppige weigering van een persoon om te verschijnen voor een rechtbank na een dagvaarding, wat neerkomt op een vorm van minachting voor het gezag van de rechterlijke instelling.
Een transcriptie:
Hardenbergh, den 13 april 1733. Compareerd Gerrit Wolbink, geassisteerd met sijn bediende procureur Baerselman, hebbende tegens huiden voord e twede mael doen citeren Hendrik Berentsen op het Wilpshaer van Lutten, so staet hij comparant voor afwagten en waeren op de purge van de contumacie den 23 meert 1733 tegens hem gedecerneerd, bedragende voor de comparitie van de procureur 10 stuivers, voor verteringe betaelt 3 stuivers, voor ’t instellen van ’t reces of aensprake en deselve te munderen 1 gulden en 4 stuivers, jura judicië 12 stuivers, aeneijsinge 6 stuijvers. Tesamen 2 guldens en 15 stuijvers. Voorts tot handelinge tegens desersijds ingediende aensprake, versoekende daartoe aeneijsinge en bij non comparitie ofte faute van reële handelinge so word gecontendeerd, dat deselve contumax sal worden verklaart onder protest van kosten.
Waerop gecompareerd Hendrik Berents op het Wilpshaer te Lutten, seggende op den 23 meert laestleden siek te sijn geweest, dat daerom alhier niet heeft kunnen komen en also niet tot versmadinge van desen Edelen Gerigte sijn uitgebleven, aennemende de contumaciële kosten als na regte te sullen betalen, versoekende van ’t gehandelde tegens hem copie en tijt van vier weken, onder protest van kosten.
Ex adverso Gerrit Wolbink, geassisteert als voren, sal sig uijt toegeeflijkheidshalven laeten vergenoegen met de aenneminge der contumaciële kosten, maar protesteerd tegens het versogte uitstel van een maend terwijl dit een kleine saek onder de 25 goudguldens monterende in sittende gerigte moet worden voldongen, waertoe men aen dese sijde is concluderende en verwagt daerover decreet.
Ex adverso segt Hendrik Roelofs dat hij de boekweijte op de gesworens ofte de markenrigters last heeft weggehaelt en dat hij an den aenlegger heeft gesegt gehad dat hij het vene soude moeten laten leggen, en dat hij sijn plaetse heeft gehuirt met de daertoe horende veenen, versoekende verders nogmaels copie en vier weken uitstel.
Waertegens Gerrit Wolbink doed voordragen dat de gedaegde selfs bekent de boekweijte te hebben weghgehaeld, en sulks quasi uijt ordre van de markenrigter, welke hier in geenen dele te stade kan komen, om dat den aenlegger niet met de markenrigter maar met de gedaegde in desen te doen heeft, en uijt dien hoofde daar ook voor moet responderen. Ende aenbelangende dat hij gedaegde den aanlegger het veene soude hebben opgesegt om te laten leggen, sulks kan hiermede niet in consideratie komen ter oorsaeke den aenlegger het veene tot uijtsaijens toe heeft gepaght, en vervolgens daer geen magt toe had om hetselve te kunnen opseggen. Weshalven word gepersisteerd, so als bij desersijds conclusie is ter neder gestelt, en versoekt hierover decreet onder nogmaeligen eisch van kosten.
Decreet:
Het Edele Gerigte houd dese saeke in advijs om hierover op heden en vier weken met advijs van een regtsgepromoveerde te decreteren, so als bevonden sal worden te behoren.
Een transcriptie
Hardenbergh, den 11 meij 1733. Compareerd in desen Edele Gerighte Gerrit Wolbink geassisteerd met sijn bediende procureur Baerselman en staet op huiden ingevolge decreet van heden 4 weken en daerop gevolgde citatie wagten en waeren op de pronuntiatie van het decreet als doen in advijs gehouden, met versoek dat de gedaegde Hendrik Wilpshaer hiertoe mede moge worden aengeëijst en bij uijtblijven dat hetselve in contumaciam moge worden geopend en gepronuntieerd. Erleggende ten dien fine de advijs en sportulen mitsgaeders de gerigtsjura ter somma van 10 guldens en 10 stuivers met verdren eisch van kosten.
Hendrik Wilpshaer sijnde aengeëijst ende advijs en sportul penningen niet erleggende volgens citatie, so is het voorschreven advis in contumaciam geopent en gepronuntieert, en gemelte Hendrik Wilpshaer gecondemneert tot refusie van het volle oordeelgelt volgens Langregt p. 1, tit. 10, art. 10.
Geef een reactie