Op 23 mei 1721 is Annegien Rotgers, geboren in Drought (Drogt) bij Zuidwolde en getrouwd met Roelof Egberts uit Ane, weggelopen van haar man. Ze heeft hem zonder geldige reden verlaten, tegen alle huwelijkse trouw in, en daarbij ook nog goederen meegenomen op een manier die op diefstal lijkt. Het vermoeden bestaat dat ze niet van plan is ooit terug te keren.

Roelef, die zich benadeeld voelt, heeft daarom de schout Johan Molckenbour (het “Edele Gerichte”) verzocht om Annegien officieel te laten oproepen. Hij wil dat zij zich verantwoordt voor haar vertrek en schending van het huwelijk, en dat er verder recht wordt gesproken over haar gedrag.

De schout heeft dit verzoek ingewilligd. Hij roept Annegien Rotgers op om op 14 juli 1721 te verschijnen in het huis van de weduwe Hooftman, herberg “Het Rode Hert” in Hardenberg, waar de rechtbank bijeenkomt. Als zij niet verschijnt, zal de rechter uitspraak doen op basis van wat de aanwezige partij (Roelof) inbrengt. Omdat men niet weet waar Annegien verblijft, wordt dit bericht drie zondagen achter elkaar in drie kerken (in die van Hardenberg, Gramsbergen en Heemse) openbaar afgekondigd en daarna op schrift bevestigd aan de kerkdeuren.

Deze zgn. ‘weete’ is bewaard gebleven in het contentieus rechterlijk archief van het Schoutambt Hardenberg.

De transcriptie:
Ick Johan Molckenbour, bij commissie van hoger overigheijt, in der tijt Scholtus van den Herdenbergh, Heemse en Gramsberge, laete een ijegelijck die desen moghte sien en horen lesen, te weeten hoe dat op den 23 maij 1721 eene Anneghien Rotgers geboren in Drught, een clust of boerscap op Suitwolde in de Landscap Drenthe, wettelijck getrouwt aen eene Roelef Egberts, woonaghtigh tot Ane, een boerscap in ’t carspel of Schoutamp van den hardenbergh, van haar wettige eheman voornoempt sonder redenen moetwilligh en mailitieuselijck is weghgelopen, en door sulck weghlopen haer man voorscreven, trouwloselijck verlaeten, en sekerlijck te vermoeden staat noit niet weder te sullen komen om redenen veele goederen aghterbacks en op een diefaghtige maniere doen ter tijt heeft medegenomen, over sulx de verlatene en geinteresseerde te raede is geworden, hem te adresseren aen desen Edelen Gerighte om te versoeken eene dagh van citatie op welcke sij gedeserteerde Anneghien Rotgers moghte reeden geeven van haar desertie en schenden haerer trouw en dan te horen wat tegens haer schendersche des huwelijcks sal ingebraght worden, ’t welck ick Scholtus in consideratie hebbende genomen soo, dat ick dit versoeck van de verlatene Roelef Eghberts niet hebbe kunnen verweijgeren, derhalven citere en laede u Annegien Rotgers tegens den veertienden julij aenkomstigh 1721 ten huise van de weduwe Hooftmans in ’t Rode Herte tot Herdenbergh alwaer mijn ordinaris Gerighte ben houdende om personelijck tegens tijn uir aldaer te willen compareren om in te brengen t’geen van uw belangh in desen sult oordeelen, en wederom te aenhoren t’geen tegens uw sal ingebraght worden, en onvermoedelijck uw persoon op den 14den julij niet moghte compareren en erschijnen, so sa lick Scholtus als dan genootdrongen worden aen de als dan aenhoudende, en erschijnene parthije, te geven wat reghtens in en over deese saeke sal bevonden worden, en omdat men hier niet weet door uw weghlopen de plaets uwer residentie, soos al deesen drie sondaegen en in drie carspelkercken worden gepubliceert, en nae publicatie geaffigeert om te strekken nae behoren, wien ten gevolge tot kraght en seekerheijt deeses ick Scholtus desen eijgenhandigh hebben geteijckent en gesegelt. Actum Herdenbergh, den 14 junij 1721. Johan Molckenbour.

In de kantlijn staat:
Gepubliceert in Gramsb(ergen) den 15, 22 en 29 junij en na publikatie dezelve geaffigeert, daarvoor ontvangen 8 stuiver, Johannes Boerink.