Op 25 februari 1732 verscheen Hendrik Jansen, wonende op het Drenten te Holthone, voor de Hardenbergse richter Arnold Voltelen. Hendrik Jansen verklaarde dat hij enige tijd geleden tijdens de jaarlijkse huur en verhuur van dienstvolk de knecht Berent in dienst had genomen. Hij had Berent de gebruikelijke Godspenning (*) betaald, en Berent had beloofd zich op 1 mei bij hem te melden om een jaar lang voor hem te werken. Het afgesproken loon bedroeg in totaal 22 gulden en 10 stuivers.
Later besloot Berent echter, tegen de gemaakte afspraak in, zich opnieuw te verhuren aan Hendrik Gerritsz. Wolbink te Ane. Daarbij bracht hij de ontvangen Godspenning terug naar het huis van Hendrik Jansen en verklaarde dat hij hem niet kon dienen. Volgens het Landrecht was dit niet toegestaan. Daarom dagvaardde Hendrik Jansen hem en eiste een derde deel van het afgesproken jaarloon, oftewel 7 gulden en 10 stuivers, als schadevergoeding.
Berent verscheen niet voor de rechtbank. Daarom werd hij bij verstek veroordeeld om binnen acht dagen de gevorderde 7 gulden en 10 stuivers aan Hendrik Jansen te betalen. Als hij dit niet zou doen, konden zijn goederen in beslag worden genomen om het bedrag te verhalen.
* Een Godspenning is een kleine som geld dat bij het sluiten van een mondelinge overeenkomst werd gegeven als bewijs dat men zijn woord zou nakomen.

Een transcriptie:
Erschenen Hendrik Jansen wonende op het Drenten te Holthone, seggende een geruime tijd geleden, wanneer ordinaris alhier het dienstvolk word besteet, als doen behoorlijk als knegt te hebben gehuirt Berent …… tegenswoordig wonende bij H. Wolbink tot Ane, en aen denselven daarop ook de Godspennink overhandigt en hij aengenomen op aanstaande meij sig bij de comparant als knegt te vervoegen en hem een jaar te dienen, waarvoor hij compar(ant) hem aen loon soude geven an gelt 9 daler en an andere toebaete te samen opgerekent de somma van 9 guldens, monterende also in alles tesamen 22 guldens en 10 stuivers; en vermits de voorschreven Berent ….. tegens alle reden heeft kunnen goetvinden sig naderhant wederom te besteden bij voorschreven H. Wolbink en aen hem comparant de ontfangene Godspennink onlangs an ’t huis van den comparant weer te brengen, met te seggen hem niet te kunnen dienen, al het welke sijn dingen strijdende tegens het Lantregt, weshalven hij comparant is genootsaakt geworden hem Berent …… tegens huijden te citeren, ten fine deselve in sittende Gerigte, als dit een kleijne sake is, moge worden gecondemneert een-darde part van het jaarloon, welke hij bij den comparant soude hebben verdient als voorschr(even) ter somma van 7 guldens en 10 stuivers aen gemelte comparant op te leggen en te betalen, ingevolge Lantregt p. 2, tit. 9, art. 17, alles met eijs van kosten.
Berent de knegt van Hendrik Wolbink aengeëijst en niet gecompareert sijnde, so wort de gemelte geciteerde gecondemneert om het geëijste darde part van het jaarloon, soals hij soude hebben verdient an den comparant binnen de tijt van aght dagen ter somma van 7 guldens en 10 stuivers op te leggen en te betalen, volgens Lantregt p. 2, tit. 9, art. 17, bij nalatigheid van sulks daarvoor in sijne goederen paratelijk worden geëxecuteert.
Geef een reactie