Op 3 augustus 1820 behandelde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Deventer een civiele zaak (toegang 0090, inv.nr. 32, rolnr. 281). Eiser was Engelbert Zweers, koopman te Hardenberg, bijgestaan door zijn advocaat en notaris mr. D.J.R. Jordens. Beklaagde was Roelofjen Flierman, 23 jaar, zonder beroep, eveneens uit Hardenberg.
Roelofjen Flierman beschuldigde Engelbert Zweers ervan dat hij de vader was van haar buitenechtelijke kind. Zij had hem dit eerder openlijk verweten in aanwezigheid van anderen. Zweers wilde zich hiertegen verdedigen en stapte naar de rechtbank. Vier getuigen, allen uit Hardenberg, legden onder ede verklaringen af:
- Klaas Dudink, smid (52), verklaarde dat hij Flierman met het kind had gezien in de hof (de tuin) van Zweers. Hij hoorde haar zeggen: “Dat is uw kind, daar bent u de vader van.” Zweers had haar opgedragen te vertrekken.
- Hendrik Truin, dagloner (33), bevestigde dit en voegde eraan toe dat Flierman Zweers ook voor een “slechte kerel” had uitgemaakt.
- Fennigjen Kosters, arbeidster (50), verklaarde eveneens dat Flierman had geroepen dat Zweers de vader was en hem een slecht mens noemde. Zij werkte op dat moment in de hof van Zweers.
- Jennigjen Nijman, arbeidster (23), bevestigde de eerdere verklaringen en verklaarde dat Zweers Flierman had weggestuurd.
Roelofjen Flierman erkende dat de verklaringen van de getuigen juist waren. Zij hield vol dat Zweers de vader van haar kind was en verklaarde dat zij vijf jaar bij hem in dienst was geweest. Ook beweerde zij dat Zweers via anderen een geldsom had aangeboden om de zaak te laten rusten.
Roelofjen Flierman of Vlierman, was op 12 oktober 1796 geboren in stad Hardenberg en was een dochter van Derk Jan Flierman en Catharina van Straten. Roelofjen was op 23-jarige leeftijd, op 5 december 1819, bevallen van een dochtertje, die bij de ambtenaar van de burgerlijke stand werd aangegeven als Engelberta.

Engelberta Flierman trouwde vervolgens op 23-jarige leeftijd, op 20 mei 1841 te stad Hardenberg, met de 35-jarige bakker Coenraad Clee. Haar moeder, Roelofjen Flierman, trad bijna een jaar erna, op 3 mei 1842 te stad Hardenberg alsnog in een huwelijksbootje, en wel met weduwnaar Gerrit Jan Hoefman.
Engelberta Flierman werd slechts 26 jaar. Zij stierf op 15 oktober 1846 in Heemse, nalatende vier kinderen van wie er drie op zeer jonge leeftijd waren overleden.
Roelofjen Hoefman-Flierman zou 86 jaar oud worden en overlijden op 8 april 1883 in haar huis aan de Voorstraat in Hardenberg.
De letterlijke transcriptie:
Achttienhonderd twintig den derden augustus is de Regtbank van eersten aanleg zitting houdende te Deventer, uitmakende de correctionele regtbank des arrondissements van dien naam, provincie Overijssel, vergaderd in de gehoorzaal van het gebouw der gemelde regtbank, in tegenwoordigheid van den fungerenden officier bij dezelve, en geadzisteerd door de commis-griffier der regtbank, ten einde over te gaan tot het houden der debatten en het vonnissen in de procedure door Engelbert Zweers, koopman woonachtig te Hardenberg als civiele partij ondernomen tegen Roelofjen Vlierman.
De gemelde eischer, nevens ook de beklaagde binnen geroepen zijnde, heeft de eerstgemelde verklaard, dat hij den advokaat en notaris mr. D.J.R. Jordens, woonachtig te Deventer mede alhier tegenwoordig, als deszelfs raadsman gevolmagtigd had om zijne belangen in dezen voor te dragen. Waarop de voormelde advokaat en notaris het onderwerp der klagte heeft ontvouwd, eene lijst der getuigen heeft overgelegd en voorts zijne conclusie genomen.
Hierop heeft de president aan de beklaagde derzelver voornaam, naam, ouderdom, geboorte, beroep en woonplaats gevraagd, waarop dezelve geantwoord heeft, dat zij genaamd is Roelofjen Flierman, oud drie en twintig jaar, zonder beroep, geboren en woonachtig te Hardenberg.
De getuigen hierop binnen geroepen zijnde, is derzelver lijst opgelezen, waarna zij zich wederom uit de gehoorzaal naar het voor hen geschikte vertrek begeven hebben; vervolgens een voor een teruggeroepen hebben zij ieder afzonderlijk gedeponeerd in de volgende orde:
De eerste getuige, volgens zijne opgave Klaas Dudink genaamd, oud twee en vijftig jaar, smid, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de eischer en de beklaagde alhier tegenwoordig hem wel bekend, doch geen van beide aan hem zijn verwant, en dat hij in geene betrekking van dienstbaarheid tot hen staat. Dat hij getuige den 13den mei laatstleden de beklaagde bij Albert Zweers den eischer in dezen in deszelfs hof had gezien. Dat hij er juist op aan kwam gaan, wanneer hij hoorde dat de beklaagde hebbende een klein kind op haar arm, tegen Zweers in dien hoef zeide: dat is uw kind, daar zijt gij vader van! Dat Zweers hierop had gezegd tegen de beklaagde dat zij den hof zoude verlaten, waarop zij was heengegaan en hij tot getuige door Zweers was geroepen.
De tweede getuige volgens zijne opgave Hendrik Truin genaamd, oud drie en dertig jaar, daglooner, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat hij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, deponeert op de aan hem gedane vragen dat de eischer en de beklaagde hem wel bekend, doch geen van beide aan hem zijn verwant, en dat hij niet staat in eenige betrekking van dienstbaarheid tot hen. Dat hij den 13den mei l.l. gezien heeft dat de beklaagde met een kind op haar arm zich vervoegde aan den hof van Zweers en aan denzelve den eischer in deze vroeg of hij zijn kind eens wilde zien, hetwelk hij gemaakt had?, meenende hij getuige gehoord te hebben dat de beklaagde bovendien Zweers nog heeft uitgemaakt voor een slechten kerel.
De derde getuige, volgens hare opgave Fennigjen Kosters, huisvrouw van Jacobus Tieman genaamd, oud vijftig jaar, arbeidster, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben, dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, gedeponeert op de aan haar gedane vragen, dat de beklaagde nevens de eischer haar wel bekend, doch geen van beide aan haar zijn verwant, en dat zij niet staat in eenige betrekking van dienstbaarheid tot hen. Dat zij den 13den mei l.l. gezien heeft dat de beklaagde met een kind op den arm voor den hof van Zweers den eischer in dezen kwam en denzelven toeriep of hij zijne dochter eens zien wilde? Dat hij en niemand anders de vader van dat kind was en dat zij hem hield voor een slechten kerel. Dat zij getuige destijds bij Zweers in den hof aan het werk was geweest. Dat de beklaagde vervolgens mede dien hof was ingegaan, wanneer dezelve haar voornoemde gezegdens tegen Zweers had herhaald.
De vierde getuige, volgens hare opgave Jennigjen Nijman genaamd, oud drie en twintig jaar, arbeidster, woonachtig te Hardenberg, na met eede beloofd te hebben dat zij de volkomene waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, de poneert op de aan haar gedane vragen dat de beklaagde en de eischer haar wel zijn bekend. Dat de laatstgenoemde haar in het geheel niet, doch de eerstgenoemde nog eenigszins aan haar is verwant. Dat zij niet staat in eenige betrekking van dienstbaarheid tot hen. Dat zij getuige den 13den mei ll. de beklaagde terwijl zij een kind op den arm had, voor den hof van den eischer Engelbert Zweers tegen dezen had hooren roepen of hij zijn kind eens zien wilde? Dat de beklaagde voorts in den hof gekomen was en tegen Zweers alstoen had gezegd dat hij de vader van dat kind was en dat zij hem hield voor eenen slechten kerel, waarop Zweers had geantwoord: ga af van mijn weer! en zij beklaagde was vertrokken. Dat zulks alles had plaatsgehad terwijl zij getuige in dien hof werkte.
De president van de beklaagde gevraagd hebbende wat zij ter hare verdediging had in te brengen, heeft zij daarop geantwoord dat de depositiën der getuigen alle de waarheid behelsden en dat zij alnog volhield dat niemand anders dan de eischer in dezen vader van haar kind was en bij wien zij vijf jaren als dienstmeid had gewoond; hebbende hij ook onder de hand zekere aanbod van geld aan haar laten doen om deze zaak af te maken.
Daarop heeft de gevolmagtigde van den eischer deszelfs vordering breeder ontwikkeld en op het antwoord van de beklaagde gerepliceerd. Dit afgeloopen zijnde, heeft de fungerende officier zijne conclusie genomen.
De beklaagde gevraagd zijnde of zij nog verder iets ter hare verschoning had in te brengen, heeft zij geantwoord dat zij hare zaak aan de Heeren overgaf. Waarmede president de debatten voor geëindigd heeft verklaard en voorts deze zaak door de regtbank in deliberatie is gehouden tot heden en acht dagen.
Geef een reactie