In het vroeg-achttiende-eeuws Gramsbergen speelde zich onderstaand geschil af tussen dienstbode Harmtje Willems en haar werkgever Derck Statius Schutstal (1693-1748).
Harmtje was een jonge dienstmeid die bijna een jaar trouw had gediend in het huishouden van Schutstal. Zij stond vroeg op, deed het werk dat van haar verwacht werd en meende daarmee haar plicht vervuld te hebben. Maar nog voor de maand mei aanbrak, en dus enkele weken voordat haar jaarcontract zou aflopen, kwam er onverwacht een einde aan haar dienst. Schutstal beschuldigde haar ervan in de kelder op eigen houtje wat foesel of genever (jenever) te hebben genomen, en zette haar de deur uit. Voor Harmtje voelde dit als een diep onrecht: niet alleen omdat de aantijging volgens haar onwaar was, maar vooral omdat zij na een jaar arbeid met lege handen dreigde te blijven staan.
Zij zocht eerst langs vreedzame weg naar een oplossing. Zij vroeg beleefd om haar loon, maar ving bot. Zij wendde zich tot de rechter, maar ook daar vond ze geen gehoor. Uiteindelijk greep ze naar het zware middel van beslaglegging: zij liet goederen van haar voormalige meester in beslag nemen, in de hoop zo haar verdiende geld en kledingstukken veilig te stellen. Schutstal reageerde furieus en probeerde het beslag ongeldig te laten verklaren. Daarmee lag de kwestie openlijk op tafel van richter Arnold Voltelen.

Voor de rechter voerde Harmtje aan dat zij zonder recht en reden was weggejaagd, ja zelfs beledigd en met geweld bedreigd. Zij zei dat Schutstal haar een todde [een ontuchtige vrouw of snol] had genoemd en geprobeerd had haar met voeten onder haer gat te schoppen en te verjagen. Haar vertrek was dus geen vrije keuze geweest, maar een vernederende uitdrijving. Zij was bereid dit onder ede te bevestigen en hield vol dat haar loon en kleren – samen meer dan eenentwintig gulden waard – haar toekwamen.
Schutstal schilderde daarentegen een heel ander beeld. Volgens hem had Harmtje hem juist in de steek gelaten, zonder motief en zonder bericht. Daardoor was hij plots zonder dienstmeid komen te zitten. Hij beriep zich op het Landrecht van Overijssel, waarin stond dat een dienstbode die eigenmachtig de dienst verliet, geen aanspraak kon maken op loon. Niet híj, maar zij had de overeenkomst geschonden, zo betoogde hij, en dus hoefde hij niets te betalen.
Het hof luisterde naar beide partijen, maar het was moeilijk te onderscheiden waar de waarheid lag. Aan de ene kant stond een dienstmeid die zei verjaagd te zijn; aan de andere kant een heer die beweerde verlaten te zijn. Beiden spraken met grote overtuiging, maar tastbaar bewijs bleef uit. De rechters besloten de zaak niet onmiddellijk te beslechten, maar vier weken in beraad te houden.
En zo hing het lot van Harmtje’s loon, en wellicht ook haar eer, in de weegschaal van de rechtbank. Voor de een was het slechts een conflict over enkele guldens en wat kledingstukken, voor de ander de erkenning van een heel jaar arbeid en de vraag of men een dienstmeid zomaar zonder loon en met een trap de deur kon wijzen.
Precies vier weken later vond het proces tussen de dienstmeid Harmtje Willems en haar voormalige meester Statius Schutstal zijn vervolg. Na weken van beraad kwam de rechtbank opnieuw bijeen om zich uit te spreken. Harmtje, vergezeld door haar vader en haar procureur, had inmiddels de vereiste proceskosten betaald en drong erop aan dat ook Schutstal zijn deel zou voldoen. Zij hoopte dat, mocht hij wegblijven, het vonnis bij verstek in haar voordeel zou uitvallen.
Aan de zijde van Schutstal verscheen weliswaar zijn procureur Velthuis, maar de rechtbank liet hem niet toe zolang hij geen juiste volmacht kon overleggen. Zonder die bevoegdheid kon hij zijn cliënt niet vertegenwoordigen. Daarom werd Schutstal opnieuw gedagvaard. Omdat hij uitbleef, werd hij bij verstek veroordeeld en leek de zaak geheel in het voordeel van Harmtje te worden beslist.
Toch kreeg Schutstal nog één kans. Het gerecht bepaalde dat de kern van het geschil – de vraag of Harmtje vrijwillig was vertrokken of gedwongen werd – slechts kon worden beslecht door een eed. Indien Schutstal onder plechtige belofte tegenover God zou verklaren dat hij zijn dienstmeid niet had weggejaagd, maar dat zij uit eigen beweging het huis had verlaten, dan zou zijn verweer standhouden en de vordering van Harmtje worden afgewezen. Richter Arnold Voltelen merkte immers aan dat Harmtje haar beschuldiging niet overtuigend had bewezen, terwijl Schutstal de beschuldiging ontkende.
Op 5 juli verscheen Harmtjes voormalige werkgever Schutstal eindelijk zelf in de rechtszaal, opnieuw bijgestaan door zijn procureur. Harmtje en haar raadslieden waren eveneens aanwezig, en er werd scherp gelet op de naleving van de eerdere uitspraak. Na een discussie over de precieze proceskosten en vergoedingen – in totaal zes gulden en tien stuivers – werd dit bedrag door Schutstal betaald. Vervolgens legde hij, zoals het decreet vereiste, de plechtige eed af: dat hij zijn dienstmeid niet uit de woning of de dienst had gezet, maar dat zij vrijwillig en zonder reden was vertrokken.
Met die eed was de zaak in rechte beslist. Harmtje, die haar jaar loon en kledingstukken opeiste, moest zich neerleggen bij de uitspraak. Voor het gerecht gold voortaan dat niet zij was verjaagd, maar dat zij zelf de dienst verlaten had. Zo eindigde haar strijd met Schutstal, niet met de erkenning van haar arbeid en aanspraken, maar met de bevestiging van de macht van de eed – een laatste woord dat in de rechtspraktijk van die tijd zwaarder woog dan het ontbreken van bewijs.
Een transcriptie:
Compareerd in desen Edelen Gerigte Harmpje Willems, geassisteert met haer vader en toegelaeten momber Willem Hendriks, voort met haer bediende procureur Marcelis Baerselman, met alle mogelijke kortheid voordragende hoe dat sij comparante omtrent een jaar bij den pandweerder heeft gewoond voor dienstmeijd, denselven eerlijck en trouw (gelijck een dienstbode verpligt) gediend; dat hij Statius Schutstal vijf weken voor meij, als wanneer het jaer geëxpireerd was, heft kunnen goetvinden tegens alle redelijckheid en billickheid haer pandeisscherse uijt haer huir te doen gaen en sulks onder een frivool praetext als of sij in de kelder buiten ordre ter quader trouwe eenige weinige foesel of genever soude hebben getapt, dat men aen dese sijde ter goeder trouwe is ontkennende; en ofschoons sij al iets had getapt om tot haer gesontheid te gebruicken, sulks geen redenen soude sijn een dienstmeid, sonder lhoon te betalen, uijt de huire te laeten gaen, en haer op alderhande wijse soeken te beschuldigen, om was het mogelijck haer suir verdiend lhoon daardoor te onthouden. En om hetselve te bekomen heeft sij tevergeefs alle minnelijcke en gerigtelijcke interpellatiën aangewend waerom sij vervolgens genootsaekt is geworden, de middelen regtens bij der hand te nemen, en haer gewesen heerschap daarvoor met pandinge aen te spreken, die sigh seer wederregtelijck heeft laten gelucken daer tegens te doen pandkeringe, waerom men denselven tegens huijden heeft doen citeren en ex dictis diendis nobilitecque supplendis concludento te contenderen.
Dat bij decreet of sententie van desen edelen gerigte sal worden verstaen een goede pandinge te zijn gedaen en daertegens een quade pantkeringe ondernomen, en dat den pandweerder vervolgens sal worden gecondemneert aen de pandeijsscherse te moeten betaelen sodanig lhoon als aen dese sijde bij pandinge is gevorderd geworden, te weten in gelde:
– tien daelders of 15 gulden
– twee hemden of 2 gulden
– twee schorteldoeken of 1 gulden en 15 stuivers
– een elle breetdoek of 10 cents
– een paer schonen of 1 gulden en 8 stuivers
– een paer muijlen of 1 gulden
tesamen 21 guldens en 13 stuivers
En dan beneffens gecondemneert in de kosten deser proceduire, voorts dat dese saeke als onder de 25 goudguldens sijnde, ingevolge Landregte en nieuwe reglement in sittende gerigte sal worden afgedaen.
Ex adverso is hierop erschenen Statius Schutstal, geadsisteert met procureur Jan Velthuis, met bevreemdinge te hebben gesien de ongefondeerde stellinge van de pandeisscherse of die van haere raede, waervan bij vorenstaende reces mentie word gemaekt, dat de panteisscherse niets ter wereld bewijst ook niet concluderende vervattende haere positien, onder eede te starken, weshalven de pantverweerder regtmatig bevoegt was om onder een blote ontkenninge te contenderen, tot cost en schadeloose absolutie, maar egter, om van dese fexsaturire pandprocedure fondamenteel ontslagen te sijn, neemt de comparant bij desen op en aan, voor een gerigtelijcke bekentenisse, namentlijk dese woorden bij vorenstaende reces ter neder gestelt, n.b. dat zij vijf weken voor meij uit de huire en dus buiten dienst van de comparant is weggegaen, maar weet haar wel te wagten, van te seggen dat de comparant haer heeft lieten weggaen. Gelijck ook waer en waeragtig niet is geschiet, maar dat sijs onder eenige reden ofte motiven is uit haere huire ende dienvolgens uit den dienst van de comparant is weggegaen en de comparant also verlegen gemaekt en buiten meid gelaten. Waerom de comprant ingevolge ons wwelgereguleerde Landregte p. 2, tit. 9, art. 20, welk duidelijk dicterende n.b. Zoo ook een dienstbode sonder oorsaeke uit den dienst ging, zoo is de heerschap of vrouwe wederom niet schuldig eenig loon te betalen van ’t geene hij in dat lopende jaer bereets mogt hebben verdiend etc. Ende vermits panteisserse zonder oorsaeke uit haeren dienst buiten tijt is weggegaen, zoo concludeerd de pantweerder dat van proceduire hem zo timeraer en wederregtelijk angedaen, in sittende gerigte kost en schadeloos moge werden geabsolveert, waertoe omni meliori modo is contenderende.
Ex adverso Harmtje Willems geassisteert als voren, en diend kortelijk op het antwoort van den pandweerder, dat hij komt te poseren en ter neder te stellen alsof de pandeisscherse uit haer eigen motive uit de huir soude sijn gegaen, daer hij immers in ’t minste niet van bewijst en daerom in judicando de minste reflectie mariteerd, soo verklaert sij comparante niet alleen (soo sulks gerequireerd wordt) met solemnelen eede te sterken dat den panweerder haar uijt haere huire heeft laten gaen, maar haer daer benevens nog voor een todde gescholden, en haer gepoogt met voeten onder haer gat te schoppen, dat sij is ontweken. Vervolgens men nu seer gaerne aen ’t oordeel van alle onpartijdigen overlaet of sij comparante niet genotsaekt is geweest haer te retireren en also haer huir moeten verlaten. Weshalven men alnogh persisteerd als bij desersijds recessus loco justificatie van pandinge is gedaen. Verwagtende hierover decreet onder dierbaer portest van kosten.
Hiertegens wederom erschenen Statius Schutstal, geadsisteert als voren, moetende zig al meerder verwonderen dat de panteijsscherse, ende dus aenleggerse, tegens alle regten wilde opleggen te bewijsen an de verwerende partije dat zij aanleggerse buiten oorsaeke uit haar dienst was weggegaen; dat is de comparant onmogelijck ende daerom niet min belaggelijck; als zijnde verwerende partie, nu zoude een verweerder bewijsen ofte contrabewijsen dat een ongefondeerden anlegger komt te poseren; dog de comparant agt niet meer de pijne waerdig zulke wederregtelijcke ende niet min dwase stellingen vorder te beantwoorden,, maar segt ter goeder trouwen dat zij pandeijsserse zonder de minste reden ofte oorsaeke haer huir en dienst heeft verlaten, concluderende deshalven als voren is gedaen ofte omni miliori modo hadde behoren te geschieden.
Het edele gerigte hout dese saeke vier weken in advijs om als dan alhier daer over te worden gedecreteert.
Vervolg, d.d. 28 juni 1728:
Erschenen in desen Edelen Gerigte Harmpje Willems, geassisteert met haer vaeder Willem Hendriks als in desen haer toegelaeten momboir, en wijders met haer bediende procurator Baerselman, staende op huijden in termino wagten en waeren op de pronuntiatie soo desen Edelen Gerigte heden een maand in advijs heeft gehouden. Erleggende ten dien fine de volle advijs en sportul penningen ter somma van vijf guldens en acht stuivers, met versoek dat den pandweerder Statius Schutstal hiertoe mede moge worden aengeëijst en bij uitblijven van hem selfs ofte een genoegsaeme volmagtiger soo word gecontendeert dat dese saeke in contumaciam sal werden gepronuntieerd als na Landreght, onder verder protest van kosten.
Ex adverso compareert procureur Velthuis als bekende bediende van Statius Schutstal, staet eensgelijcks wagten en waeren op de pronuntiatie van decreet, nae dat mede de volle sportulen en advijs penningen ter somma van 5 guldens en 8 stuivers heeft erlegt etc.
Waertegens gecompareerd Harmpje Willems, geassisteert als voren, kunnende procurator Velthuis in desen niet admitteren voor en alleer sijn behoorlijcke qualificatie sal hebben vertoond en hier in judicio overgegeven, gelijck na ons wel gereguleerde Landreght en naeder reglement de anno 1719 verpligt zij, en bij sulken ontstentenisse soo persisteerd comparante bij haar vorige dat dese procedure in contumacien ten profijte van voorschreven Landreghte en reglement sal worden gepronuntieerd.
Sulks stellende pr. Velthuis qqua seght dat heden voor 4 weken met Statius Schutstal in desen Edele Gerigte is erschenen als wanneer dese saeke zijnde voldongen dat gemelte Schutstal hem comparant qqa. voor sijn bediende heeft aengenomen teste judicie, derhalven versoekende daervoor bij decreet erkent te werden onder protestatie van allen hinder en schaden etc.
Decreet:
Vermits procureur J. Velthuis niet of geene qualificatie van St. Schutstal komt te vertonen, nog deselve bij het gerecesseerde van heden 4 weken voor desselfs bediende in ’t vervolg mede niet heeft verklaert, soo heeft hij daerom also niet kunnen worden geadmitteerd; weshalven de voornoemde S. Schutstal sal moeten worden aengeeijscht en niet compacerende sal dese voorschreven saeke ofte het decreet in contumaciam ten profijte als nae Lanregte worden gepronuntieerd.
Statius Schutstal hierop 1, 2, 3 a 4de mel over regt sijnde aengeëijst en niet comparerende ofte ijemant van hem behoorlijk gevolmagtigt, so is dezelve gecontumaceert, en vervolgens het decreet gepronuntieert, luidende als volgt.
Hardenberg, den 28 junij 1728. Righter Arnold Voltelen.
Decreet: Het Edele Gerighte met ingetrocken advijs van de ondergetekende regtsgepromoveerde, hebbende geëxamineert parthijen wederzijtse vorenstaende gerecesseerde, en daer wel principalijck uit aengemerkt, dat de pandeijsscherse als aenleggerse haer geposeerde, dat de pandweerder haer buiten tijts en sonder reden heeft gedwongen te vertrecken, niet komt te proberen, en daertegens sulks bij deselve wort ontkent, en consenteert dat sij pandeijsscherse buiten tijt vertrocken is, sooheeft haer eijsch en conclusie in desen niet ontfanckelijck verklaert kunnen worden, in val de pandweerder sijn ontkentenisse met eede komt te sterken. Om welke dan ook bij desen verstaen word te sijn gedaen een kwade pandinge en daertegens een goede pandkeringe ondernomen, mits de pandweerder met solemnelen eede sal hebben te verklaren, de pandeijsscherse niet heeft doen verhuijsen of vertrekken, maar deselve vrijwillig en van selfs vertrocken is; condemnerende de pandeijscherse in de gerigts jura en advijsgelt, aldus bij mij ondergeschreven geadviseert binnen Zwol, den 20 junij 1728. Henr. Van Rijssen.
En vermits de pantweerder St. Schutstal alhier niet tegenswoordig is, en also den eed niet kan komen af te leggen ingevolge voorschreven gepronuntieerde decreet, so sal deselve daertoe worden gecieerd om deselve af te leggen tegens heden over 8 dagen.
Hardenberg, 5 julij 1728.
Compareerde in desen Edelen Gerigte Statius Schutstal, geadsisteert met sijn bediende procureur J. Velthuis, seggende tegens heden geciteert te sijn uijt name en van wegen Harmpje Willems, staende dienvolgens wagten en waren op de comparitie van de citante en vervolgens om te zien haer eijsch en aensprake bij manquement van zulx offte non comparitie contenderende nae gedaene aeneijsinge tot kost en schadelose absolutie etc.
Waertegens gecompareert Harmpje Willems, geassisteerd met haer vaeder als haer toegelaetene momboir, voorts met haer bediende procurator Baerselman, staende op hijden in termino waghten en waeren dat Statius Schutstal ingevolge op erlegte sententie heden 8 daegen gepronuntieerd stiptelijk sal hebben te voldoen en met solemnelen ede tot God Almagtigh verklaeren dat hij sijn gewesener dienstmeid de comparante in desen niet heeft doen uijt haere huijre gaen, maar dat sij uijt haer eigen motive en sonder redenen is wegh gegaen, alles in conformite van de voorschreven sententie. Voorts staet hij mede waghten en waeren op het erleggen van de advijs penningen en Gerigts jura, soo heden 8 daegen sijn erlegt en wegens de contumacie heeft in den Gerigte gelaeten, mits gaeders het salaris van procurator Baerselmen en desselfs principalinne hun wegens voorscheven geobtineerde contumacie erhouden. Alles onder verder protest van kosten.
Statius Schutstal versoekt van het een en ander specificque begrotinge bij nalatigheid protesterende tegens alle kosten etc. Ex adverso procureur Baerselman q.q. diend dat de kosten begroot worden als eerstelijck soo de comparante heeft erlegt met de aeneisinge ad 5 guldens en 14 stuivers, pro comparitione 10 stuivers en voor verteringe 6 stuivers. Totaal 6 guldens en 10 stuivers.
Waarmede het versoek van de pandweerder voldaen sijnde, so sal men na eerlegging van deselve, en in cas van tegenspraeke tot gerigtelijcke taxatie afwacten om den gerequireerden eed te sien praesteren en afleggen, onder profijt van kosten. Nadat bovenstaende penningen ad 6 guldens en 10 stuivers waeren erlegt, so heeft Statius Schutstal den eedt ingevolge gepronuntieerde decreet gepraesteert en afgelegt.
Geef een reactie