De Belgische Opstand

                                                                            

Dinah Hesselink-Zweers
(gedeeltelijk verschenen in Rondom den Herdenbergh 1998)

 

 

De courant van vrijdag 8 oktober 1830:
Naar wij vernamen, heeft onzen Burgemeester Antoni van Riemsdijk een schrijven ontvangen van Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden. Daar den inhoud dezer Proclamatie zonder meer grootse gevolgen zal hebben voor de Hardenbergers, menen wij Van Riemsdijks Notificatie hier deels te moeten weergeven:

De Burgemeester der Gemeente het Ambt Hardenbergh, gezien en gelezen de Proclamatie van Zijne Majesteit, den Koning, de dato 5e deezer, houdende oproeping ter algemeene Wapening ter weering van den Stroom des oproers, Plundering en Vernieling, waaraan de zuidelijke Gewesten des Rijks thans zijn blootgesteld en ter conservatie van de Ruste en goede orde in de Noordelijke Provinciën deszelven, waartoe deze Gemeente is behorende, en willende ter bevordering in het daarbij door Zijne Majesteit zich voorgestelde en zeker door alle braave en weldenkende Ingezetenen goedgekeurd wordende Doel geentzins achterlijk zijn, maar hetzelve op elke moogelijke wijze bevorderen, brengd bij dezen ter kennisse van de Ingezetenen der Gemeente, dat van stonden aan eene Lijst ter Secretarië der Gemeente zal zijn voorliggende, waarop een ieder die Orde en Rust, die Nederland en Oranje lief heeft, zijnen Naam voor de opgemelde Wapening zal kunnen inschrijven ten einde zijnen Arm voor het krachtdadig Behoud van dit alles te leenen. Dat de Ingezetenen deze Roeping door Ulieden met geene verachtelijke Koelheid worde aangehoord, maar met volkomen Vertrouwen op den besten der Koningen en dezes wijze Leiding mitsgaders onder het Geloof en Opzien aan en tot den God van Nederland, die hetzelve zo veelmalen redde, slaan wij de Handen gewapend ineen, verguizende Opstand, Regeringloosheid en Moedwil, daar waar zij het Hoofd durven opsteeken, en hiertoe strekke dan ook in het bijzonder den Arm dier geenen onder Ulieden, die vroeger bij den Landstorm het Nationale Leger en de Schutterij, hetzij voor, hetzij onder, hetzij na de roemrijke Dagen van Waterlo, reeds de Wapenen hebt getorscht en nog torschen kunt, regt en bestier Gijlieden den Gang en den Tred uwer Medeburgeren op het Pad des Behouds, des Roems en der Eer!!!

De weldenkenden meer doorziende Gemeente-Burger, hij die in Eer en Aanzien in dezelve is geplaatst en uit dien hoofde zo veel Invloed kan uitoeffenen, ga ten dezen zijne minder doorzicht hebbende medeburgeren met een loffelijk voorbeeld voor, en alle bijzondere, alle mis- en wanbegrippen van stonden aan ter zijde leggende, blijve slechts Nederland en Oranje de Leus, onder welke wij ons eendragtig te zamen schaaren, gedagtig aan de gouden Spreuk onzer Vaderen, "Eendragt maakt Magt".

Na de slag bij Waterloo en de val van Napoleon werden de zuidelijke en noordelijke Nederlanden in 1815 verenigd. De teruggekeerde Willem van Oranje werd de nieuwe koning van dit Verenigd Koninkrijk. Vooral het verschil in geloofsovertuiging leidde uiteindelijk tot de Belgische Opstand. In augustus 1830 ontstonden grote onlusten in het katholieke België en werd door het leger tevergeefs ingegrepen. Op vijf oktober deed de koning een oproep tot algemene wapening, welke door burgemeester Van Riemsdijk op bovenstaande wijze werd vertaald. Deze notificatie werd aangeplakt aan het gemeentehuis en afgelezen in de kerken van Hardenberg en Heemse.

De provinciale commandanten kregen de opdracht om 18 afdelingen infanterie samen te stellen. Zij probeerden vrijwilligers te ronselen welke, hetzij onder genot van soldij hetzij op eigen kosten, de opstandige Belgen een lesje moesten leren. Er was niet veel animo om vrijwillig ten strijde te trekken, in Hardenberg meldde zich niemand.

Hierop werd besloten de rustende schutterij en de verlofgangers op te roepen voor werkelijke dienst. In aanmerking kwamen alle ongehuwden, weduwnaars of gehuwden zonder kinderen, welke op 1 januari 1830 tussen 25 en 34 jaar oud waren. Ook werden de lotelingen der militie van de jaren 1828 tot 1830, geboren tussen 1800 en 1805, alsnog opgeroepen voor militaire dienst.

Deze  legermacht kwam niet zonder slag of stoot op de been. In veel landstreken, vooral in Twente, ontstond schuttersoproer. Door het leger in te zetten werden door strafexpedities de onwillige schutters tot de orde geroepen.

De schutterij van Ambt Hardenberg had gediend bij de 1e compagnie van het voormalig 4e bataljon. De staf van deze rustende schutterij bestond uit:
Jonkheer Jacob van Foreest van Heemse, 55 jaar, lieutenant-kolonel
Burgemeester Antoni van Riemsdijk, 58 jaar, major
Jan Odink Derkszoon, 59 jaar, kapitein
Jan Bruins, 39 jaar, tweede lieutenant
Evert Dorgelo, 41 jaar, tweede lieutenant
Berend Nijzink, 30 jaar, sergeant
Hendrik Lenters, 31 jaar, sergeant
Willem Hendrik Zweers, 31 jaar, korporaal
Egbert Dunnewind, 36 jaar, korporaal
Jan Herm Gogh, 32 jaar, korporaal
Frederik Boers, 39 jaar, korporaal.
In 1830 waren alleen de luitenant-kolonel en de majoor reeds op eigen verzoek door Zijne Majesteit de Koning honorabel uit de militaire dienst ontslagen.

De opgeroepen mannen vormden de Eerste Ban der mobile Overijsselsche Schutterij, Salland werd ingedeeld bij het tweede bataljon. De nieuw aan te treden schutters konden nog gebruik maken van wapenen en ledergoed van de rustende schutterij, bestaand uit:
48 geweren met hunne bajonetten en cordonriemen
54 patroontassen met hunne bandelieren
52 bajonet-koppels met bajonetscheden
1 trom met slagband en stokken
1 sabel en sabel-koppel voor de tamboer en er was ook nog een bruikbare pijpersfluit.
Het afgedankte materiaal, zoals geweren zonder bajonetten, gebroken cordonriemen enzovoort werd opgeslagen in het gemeentehuis.

Het eerste bataljon, bestaand uit meer dan 500 schutters uit de kop van Overijssel, vertrok al in november 1830 vanuit Zwolle naar Bergen op Zoom. Na maanden van onzekerheid moesten onze jongens, behorend tot het tweede bataljon, zich op 24 februari 1831 'op marsch' begeven naar Deventer. Het detachement van Gramsbergen en Stad-en Ambt Hardenberg bestond uit 118 manschappen: 38 uit Gramsbergen, 23 uit Stad Hardenberg en onderstaande 57 infanteristen werden geleverd door Ambt Hardenberg:

  1. Hendrik Amsink uit Brucht (1804-1831)
  2. Wilent Bartels uit Venebrugge (1804-1833)
  3. Hermen Bekman 1793 Stad Hardenberg - 1852 Stad Hardenberg (plaatsvervanger van Hendrik Westerman 1799 Lutten - 1843)
  4. Jan Bekman uit Bergentheim
  5. Hendrik Bolks uit Heemse
  6. Gerrit Willem Bollemaat uit Diffelen
  7. Hermannus Bollemaat uit Diffelen (1800-1831)
  8. Gerrit Jan Bouwhuis uit Heemse (
  9. Klaas Brink uit Lutten
  10. Jan Broekhuizen uit Ommen (plaatsvervanger van Hendrik Veltink te Collendoorn)
  11. Gerrit van Bruggen uit Heemse
  12. Gerrit Frijlink uit Diffelen
  13. Gerrit Gerrits uit Lutten
  14. Hendrik Gogh uit Collendoorn
  15. Jannes Grendelman uit Bergentheim
  16. Marten Hannezen uit Zwolle (plaatsvervanger van Gerrit Jan Scholten te Bergentheim)
  17. Egbert Hannink uit Brucht
  18. Herm Jan Herms uit Collendoorn
  19. Jozua de Hond uit Ommen (plaatsvervanger van Jan Odink te Heemserveen)
  20. Albert Hulzebosch uit Collendoorn
  21. Cornelis Jansen uit Ommen (plaatsvervanger van Herm Odink te Collendoorn)
  22. Jan Scheltes de Jongh uit Lutten
  23. Albert van der Kamp uit Rheezerveen
  24. Jan Kisjes uit Bergentheim
  25. Wilhelmus Kisjes uit Sibculo
  26. Lambert Klement uit Heemse (plaatsvervanger van Herm Jan Welink te Rheeze)
  27. Jan Herm Klinge uit Baalder
  28. Jannes Zwiers Koes uit Bergentheim
  29. Jan Willem Konink uit Bergentheim
  30. Geert Leverink uit Rheeze (plaatsvervanger van Gerrit Jan Gerrits te Heemse)
  31. Albert Marsman uit Bergentheim
  32. Herbert Anton Meijer uit Hardenberg 1793 Amsterdam - 1831 Stad Dordrecht (plaatsvervanger van Jan Oldewaterink te Brucht)
  33. Frederikus Moddejonge uit Rheeze
  34. Johannes Jacobus Mommen uit Baalder (1798-1832)
  35. Evert Nijeboer uit Rheeze
  36. Egbert Nijkamp uit Sibculo
  37. Jan Nijkamp uit Sibculo
  38. Hendrik Jan Regtuit uit Lutten
  39. Lugger Reinink 1803 Lutten - 1831 Lutten (schutter)
  40. Gerrit Schepers uit Bergentheim
  41. Jan Schotvanger uit Bergentheim
  42. Gerrit Jan Schrotenboer Hzn. uit Heemserveen
  43. Herm Jan Schutte uit Brucht
  44. Gerrit Seinen uit Collendoorn
  45. Mannes Slooijers uit Heemserveen
  46. Jan Hendrik Slotman uit Heemse
  47. Hendrik Sluijer uit Den Ham (plaatsvervanger van Albert Waterink te Heemse)
  48. Gerrit Jan Spoelman uit Bergentheim
  49. Derk Jan Stegeman uit Brucht
  50. Gerrit Swart uit Baalder
  51. Hendrik van der Veen uit Diffelen
  52. Gerrit Jan Velsink uit Radewijk
  53. Gerrit Warmink uit Bergentheim
  54. Gerrit Jan Warmink uit Diffelen
  55. Albert ter Wijlen uit Brucht
  56. Jan Wilps uit Heemserveen
  57. Albert Woelders uit Hardenberg (plaatsvervanger van Lambert Waterink te Bergentheim).

38 uit Gramsbergen

  1. Egbert Altena uit Anerveen (1801 Anerveen - 1881 Dedemsvaart, Ambt Hardenberg)
  2. Jan Altena uit Anerveen (1802 Anerveen - 1831 Vlissingen)
  3. Roelof Altena uit Anerveen (1802 Anerveen - 1853 Coevorden) (was milicien in de 7e afd. infanterie 1821-1826)
  4. Egbertus Assen uit Ane (1804 Ane - 1831 Stad Hulst)
  5. Gerrit Beenen uit Gramsbergen (1797 Gramsbergen - 1831 Haarlem)
  6. Jan Willem Bouwhuis uit Gramsbergen (1796 Gramsbergen - 1871 Gramsbergen) (schutter te Stad Hulst)
  7. Hendrik Gerrits uit Holtheme (1800-1832)
  8. Jan Geugjes
  9. Berent Jan Kamphuis
  10. Hendrik Keuken (1802 Anerveen - 1889 Lutten)
  11. Jan Hendrik Kleijan 1805/1806 Holthone - 1832 Den Haag) (dienstplichtige 1831)(schutter)
  12. Jan Koenderink (1795 Gramsbergen - 1848 Gramsbergen) (schutter te Stad Hulst, lag in 1831 in de ziekenzaal te Vlissingen)
  13. Hein Kolthof uit Loozen (1806 Vriezenveen -1834 Stad Hulst) (dienstplichtige 1831) (schutter)
  14. Egbert Jan Meppelink
  15. Willem Nademeule uit Gramsbergen (1797-..) (schutter te Stad Hulst)
  16. Jan Olsman (1791 Heemserveen - 1831 Stad Hulst, ws. bij de schutters uit Gramsbergen)
  17. Hermannus Plas uit Holthone
  18. Willem Plasman uit Ane
  19. Egbert Reinders uit Gramsbergen (1805 Gramsbergen - 1832 Stad Middelburg) (in garnizoen aldaar)
  20. Berent Jan Schuldink uit Ane
  21. Albert Schutte uit Gramsbergen
  22. Klaas Tangenberg uit Gramsbergen (1796 Gramsbergen - 1831 Stad Hulst)
  23. Jan Tielen uit Ane (overleden)

23 uit Stad Hardenberg

  1. Jan Bekman uit Hardenberg
  2. Klaas van 't Holt
  3. Gerrit Holtman
  4. Hendrik Kampherbeek
  5. F. Kelder
  6. Evert Kremer
  7. Jan van Loo
    1. Gerrit Jan Rigters (1802 Stad Hardenberg - 1874 Stad Hardenberg) (schutter te Hulst)
  8. Pieter Stellings plaatsvervanger voor?
  9. Gerrit Jan Valkman
  10. Hendrikus Welleweerd 1793 Stad Hardenberg - 1831 Stad Hulst (1814 dienstplichtige niet opgeroepen, 1816 vrijstelling)
  11. Berent Westenberg
  12. Engbert Zweers
  13. Jan Zweers (1807 Stad Hardenberg - 1833 Stad Hulst) (schutter)

Onderstaande militairen werden eveneens naar België gestuurd:

  1. Arend Blankvoort uit Baalder?/Stad of Gramsbergen.
  2. Hendrik Boers uit Bergentheim korporaal (1790-1856) 1823
  3. Gerrit Jan Bolks 1793 Heemse - 1835 Brucht (1823 schutter)
  4. Hermen Bolks uit Heemse (1797 Heemse - na 1828 Emlichheim) (schutterslijst 1823)
  5. Hendrik Poes uit Lutten?
  6. Seine Bouwhuis uit Gramsbergen (1792-1869) conscrit 1812
  7. Egbert Dunnewind 1793 Rheeze - 1860 USA
  8. Hendrik Fokkert 1811 Den Ham - 1874 Hulsen (1830 wonend te Hardenberg (1830 in de 14e Afd. Inf., 7e Regiment Infanterie sinds 1830 of 1831)
  9. Lucas Geertman 1810 Lutten-1885 (in dienst sinds 1829)
  10. Jan Hermen Gogh (1797 Heemse - 1852 Heemse) (schutterslijst 1823 korporaal)
  11. Albert Goorhuis 1812 Baalder - 1832 Grave (7e Regiment Infanterie sinds 15-03-1831)
  12. Petrus Alexander Isaäc Gosenson 1807 Hardenberg-1884 Doesburg (vrijwillig in dienst sinds 1824, sinds 1830 bij het 7e Reg. Inf. als sergeant)
  13. Gerrit Jan Grendelman uit Bergentheim (1796 Bergentheim - 1871 Mariënberg) (schutterslijst 1823)
  14. Marten Heuver uit Diffelen (1797 Diffelen - 1873 Heemse) (schutterslijst 1823)
  15. Hendrik Jan Hilberink (1794 Diffelen - 1860 Bergentheim)
  16. Gerrit Jan Hutten uit Baalder (1792-...) 1823
  17. Hendrik Jan Kamerman uit Collendoorn (1794 Junne - 1869 Junne )(schutterslijst 1823)
  18. Hendrik van den Kamp uit Rheezerveen (1797-1851)
  19. Karel Kampherbeek (1806 Stad Hardenberg - 1831 Stad Hulst) (ter aanvulling wegens ontslag van J.J. Mommen, schutter van Ambt Hardenberg)
  20. Gerrit Kamphuis 1812 Ane - 1873 Collendoorn (heeft plaatsvervanger Stoffer Klaassen, 7e Regiment Infanterie in dienst sinds 15-03-1831)
  21. Lubbert Kleintjes uit Loozen (1796 Loozen - 1854 Radewijk) (schutter te Stad Hulst)
  22. Jan Koenderink uit Gramsbergen (1795-1848)
  23. Harmen Kok uit Diffelen (1797 Junne - 1847 USA) (schutterslijst 1823)
  24. Jan Kolkman uit Radewijk (1791-1859) 1823?
  25. Egbert Kolkman uit Diffelen (1796 Diffelen - 1842 Diffelen) (schutterslijst 1823)
  26. Gerard van Laar 1812 Stad Hardenberg - 1885 Stad Hardenberg (7e Regiment Infanterie sinds 15-03-1831)
  27. Hendrikus Lamberts 1811 Sibculo - 1874 Wierden (wonende te Vriezenveen) (14e Afd. Inf., 7e Reg. Inf. sinds 1830 of 1831)
  28. Jannes Lenters uit Heemserveen(1790) 1823
  29. Gerard Jan Meulenkamp 1812 Bergentheim - 1832 (7e Regiment Infanterie in dienst sinds 15-03-1831)
  30. Jasper Zweers van Munster uit Stad korps veldartillerie
  31. Hendrik Nijzink uit Brucht (1791-..) 1823
  32. Engbert Reints alias Dobbeman 1811 Baalder - 1866 Vught (1830 14e Afd. Inf., 7e Regiment Infanterie sinds 1830 of 1831)
  33. Hendrik Santman uit Stad korps veldartillerie
  34. Jan Harm Schrotenboer 1812 Heemserveen - 1863 (7e Regiment Infanterie in dienst sinds 15-03-1831)
  35. Gerrit Jan Seinen uit Collendoorn (1800-1869)
  36. Lucas Veurink uit Rheeze (1791-1854) conscrit 1811/1823
  37. Egbert Vinke uit Heemse (1807 Heemse - 1833 Hulst) (schutter)
  38. Jan Hermen Veurink uit Rheeze (1792-1859) 1823
  39. Albert Visscher uit Heemse (1792-1846) (1823)
  40. Hendericus Welleweerd uit Stad (1793-1831); was in 1816 vrijgesteld als zijnde enige zoon.
  41. Gerrit Jan Wijnholt alias Woestkamp uit Bergentheim (1791-1873) conscrit 1811 (1823)

 

Toen, op 16 januari 1860: dominee Bosch overleden. - Stichting Historische  Projecten
Ds. L Bosch, geboren 2 maart 1793 te Emmelenkamp, overleden 16 januari 1860 in de Voorstraat te Hardenberg.
Sedert 16 december 1816 predikant bij de Hervormde Gemeente te Hardenberg.

In Hardenberg werd wekelijks op woensdagavond een godsdienst oefening gehouden. De dag voor hun vertrek kwamen alle schutters met hun familie deze kerkdienst bijwonen. Op speciaal verzoek van de burgemeesters voerde de Weleerw. Heer Lubbartus Bosch het woord: Hij bracht de Hardenberger zonen een hartelijk, oprechte Vaderlands- en Vorstenliefde ademend, Vaart-Wel toe. Hij stipte nog even het snood gedrag van het beweldadigd, ondankbaar en oproerig Belgiën aan. Verder wees hij op de roeping ter bescherming van geboortegrond, met handhaving van Neerlandsch alouden krijgsroem.

De voorganger besloot zijn redevoering met navolgend eigengemaakt gedicht. In de Overijsselse Courant van 4 maart 1831 werd benadrukt dat dominee Bosch pas na enig aandringen toestemming gaf voor plaatsing.

Op! brave Burgers, op ten strijd,
Voor Vorst en Vaderland,
Toont dat gij Neêrlands Zonen zijt,
Doet Neêrlands roem gestand.
Op! op! de Muitzucht perk gesteld,
Ten strijd naar 't Oorlogsveld;
Verraad en d'ontrouw neergeveld,
En d'orde weer hersteld.
Op! op! voor Vorst en Vaderland,
Verdelgd der muitren rot!
Beschermt uw Erf, dat dierbaar pand,
Der Belgen trots ten spot.
De strijd is heilig, dien gij strijd,
Welaan! oud Nederland bevrijd,
Gij strijd voor Erf en goed;
Van 's Belgen euve moed,
Toont aan Euroop met fiere kracht,
Dat Neêrland helden teld;
Dat Neêrlands moed ook wordt geacht,
In 't roemrijk oorlogs veld.

Vaart wel! wij biên u, d'afscheidshand,
Ons oog ontvalt een traan;
Met God, voor Vorst en Vaderland,
De wapenkreet vangt aan.
God trekke met u in den strijd,
 Sta aan uw regterhand;
Verstrooidt de Muiters wijd en zijd,
En redt het Vaderland.
Blijft gij getrouw aan eed en pligt,
Toont gij door uw gedrag;
Het vuig verraad in 't aangezigt,
Wat Neêrlands Leeuw vermag.
Vaart wel! gij Hardenberger Zoons,
Ontvang ons afscheids groet;
Toont uw gevoel, bij zoo veel hoons,
En siert 's Lands helden stoet,
Vaart wel! uw leven blijv' gespaard,
Als gij ten strijd perk sneld;
Dien God bewaard, is wel bewaard
Ook in het oorlogsveld.

 

Tot besluit van de kerkdienst werd staande, onder orgelbegeleiding, het 4e vers van Psalm 121 aangeheven.

Goedgemutst ging het gezelschap op reis. De eerste rustplaats was Raalte, waar voor inkwartiering was gezorgd. Op vrijdag 25 februari 1831, 's middags tegen twaalven, arriveerden de schutters bij de Brinkpoort in Deventer. Hier werd men ingedeeld in verschillende divisies. In totaal leverde de provincie Overijssel 2700 manschappen. Ons contingent werd op de reis naar Deventer vergezeld door de burgemeesters Willem Swam, Lucas Hoenderken en Antoni van Riemsdijk. De schutters werden bijna allemaal ingedeeld bij de 5e compagnie van 't 2e bataljon der 1e afdeling mobile Overijsselse schutterij. Zij waren als laatste in Deventer aangekomen en moesten met spoed geoefend worden in de krijgskunst, zowel theoretisch als praktisch. De mannen hadden te kampen met veel te kleine ruimten om in te leven. Zelfs de officieren en de sergeant-majoor hadden geen eigen afzonderlijke ruimte en sliepen in dezelfde zaal als de schutters. Ook had men te maken met onaangename luchtjes, afkomstig van het door stro verstopte secreet. Als beloning kreeg de soldaat iedere 5 dagen 35 à 40 centen aan zakgeld.

Een groter probleem was het gebrek aan kleding. Met man en macht werd geprobeerd onze schutter aan passende 'kapotjassen' enzovoort te helpen. Bij gebrek aan vilten schakots of kaskes liet men deze petten van karton vervaardigen, overtrokken met gewast linnen. Later bleek dat deze hoofddeksels na enkele regenbuien ontoonbaar werden, de kartonnen petten werden plat en leken op die van onze oostelijke naburen. Ook verkleurde de blauwe kapotjas naar vaalrood. In het buitenland gingen geruchten dat Pruisen ons leger was komen versterken. Het voor velen onverstaanbare Sallandse taaltje versterkte deze mening.

 De schutter werd indien mogelijk uitgerust met de volgende goederen (montering en equipements stukken) en wapenen: 1 vest met mouwen, 2 pantalons (grijs laken/wit linnen), 1 kapot, 1 schakot met overtrek, 1 politiemuts, 1 slaapmuts, 1 randsel, 3 pakriemen, 2 hemden, 1 paar schoenen, 3 paar sokken, 2 onderbroeken, 2 paar slopkousen (laken/linnen), 1 linnen  rokzakje, 1 borstrok, 1 halsdas, 1 paar handschoenen, 1 paar borstels, 1 blikken veldfles met lederen bandelier.
1 genummerd infanteriegeweer met cordonriem en bajonet met schede, 1 patroontas met bandelier 'met ruimnaald, olie-vleschjen, schruivendraayer, aftrekker, twee vuurstenen en overtreksel'.

 Toen, op 24 februari: op mars voor 't vaderland! - Stichting Historische  Projecten

De 5e compagnie, onder leiding van majoor Gerhard Meijer, bereikte via Doesburg in april 1831 de garnizoensstad Hulst in het voormalige Staats-Vlaanderen. Op enkele kilometers afstand had de nationale zeeheld J.C.J. van Speijk in februari zijn schip in de lucht laten vliegen. De gelegerden te Stad Hulst kregen te maken met vele grens-incidenten, waardoor de spanning onder de schutters toenam. De eerste gewonden onder de Overijsselse schutters vielen echter bij de eerste afdeling, door de ontploffing van 't kruitmagazijn 'De Stoelemat' te Bergen op Zoom, op de laatste dag van maart. Naast de gevaren van oorlog had 't Nederlandse leger, bestaand uit 106.651 manschappen, te maken met erbarmelijke leefomstandigheden. Sommigen raakten gewond tijdens de Tiendaagse Veldtocht en de verdediging van de Citadel van Antwerpen. Onze manschappen in Zeeland werden echter het zwaarst getroffen door de zogenaamde 'Endemische Zeeuwsche Koortsziekte'. De eerste schutter die in den vreemde stierf was Hermannus Bollemaat uit Diffelen. Deze droeve tijding bereikte Hardenberg binnen enkele dagen; hier bleef het helaas niet bij! Na Hermannus zouden nog vele jongens slachtoffer worden van deze oorlog.

 
Gerrit Willem Bollemaat stierf evenals broer Hermannus in Zeeland.

Door de koortsziekte waren de manschappen zo verzwakt en uitgeput dat velen in inderhaast ingerichte Rijkshospitalen of Infirmeriën werden opgenomen. De verpleging bestond uit een dubbel rantsoen genever met de zuiverste kina-tinctuur vermengd en 't drinkwater werd met de beste azijn getemperd. Ondanks de goede hulp van de inwoners van Stad Hulst en omgeving, stuurde men veel zieken met verlof naar huis om de gezondheid te herstellen. Veel schutters zagen hun woonplaats echter nooit terug of stierven kort na thuiskomst. Vanzelfsprekend moesten de lege plaatsen worden aangevuld met nieuwe dienstplichtigen. Bij het korps raakte men het spoor bijster want de zieken werden van het ene naar het andere hospitaal vervoerd. Soms wist de leiding pas na 4 à 5 maanden dat iemand was gestorven.

Militairen uit Hardenberg en Gramsbergen die tijdens hun dienstplicht overleden waren onder meer:

Hermannus Bollemaat 02-08-1831 Hulst





Herm Jan Hermsen  03-08-1831 Neuzen
Hendrik Amsink  24-08-1831 Collendoornerveen
Hendericus Welleweerd   07-09-1831 Hulst
Klaas Tangenberg 07-09-1831 Hulst
Jan Olsman 09-09-1831 Hulst
Klaas Brink                          16-09-1831 Hulst
Lugger Reinink                    28-09-1831 Lutten
Jan Thielen                            10-10-1831 Hulst
Jan Altena                             25-10-1831 Vlissingen
Gerrit Willem Bollemaat    11-11-1831 Middelburg
Karel Kampherbeek            27-11-1831 Hulst
Herbert Anton Meijer         28-11-1831 Dordrecht
Gerrit Jan Spoelman           30-11-1831 Haarlem
Jan Tielen                       10-12-1831 Hulst
Gerrit Beenen                       12-12-1831 Haarlem
Hermanus Plas                      16-12-1831 Hulst
Frederik Tijman                   16-12-1831 Haarlem
Gerrit Gerrits                       18-12-1831 Haarlem
Willem Rigters                    26-12-1831 Middelburg
Berend Westenberg            28-12-1831 Middelburg
Egbert Assen                        30-12-1831 Hulst
Jan Wiegmink                      08-01-1832 Middelburg
Hendrik Gerrits                    12-01-1832 Neuzen
Gerrit Warmink                   16-01-1832 Diffelen
Johannes Jacobus Mommen 18-01-1832 Stad Hardenberg
Jan Hendrik Kleijan            23-01-1832 's-Gravenhage
Jan Hermen Klinge             28-01-1832 's-Gravenhage
Gerrit Rundervoort              03-02-1832 Utrecht
Jan Geugies                          15-02-1832 Dordrecht
Egbert Reinders                   18-02-1832 Middelburg
Herman Klooster                 21-02-1832 Neuzen
Jan Hendrik Tijman            31-03-1832 Radewijk
Gerrit Tassink                      14-04-1832 Hulst
Gerrit Jan Schrotenboer      07-05-1832 Hulst
Egbert Engberts                    13-05-1832 Anevelde
Gerard Jan Meulenkamp    17-05-1832 Haarlem
Albert Goorhuis                  21-05-1832 Grave
Jacob van Dam                      06-06-1832 Sint Jan Steen
Hendrik Jan Klingenberg   16-08-1832 Grave
Hendrik Jan Lennips           01-10-1832 Middelburg
Jan van Loo                          15-01-1833 Veere
Willem Plasman                  19-01-1833 Veere
Herman van der Veen         18-07-1833 Kampen
Egbert Vinke                        22-07-1833 Hulst
Jan Zweers                           26-08-1833 Hulst
Hilbert Klundert                   26-08-1833 Utrecht
Carel de Lange                      21-09-1833 Hulst
Teunis Ramaker                  11-11-1833 Kampen
Albert Reints             28-11-1833 Baalder
Hein Kolthof                        22-02-1834 Hulst
Jan Schotvanger                  07-06-1834 Bergentheim
Roelof Ridderman               06-07-1834 Grave

We weten dat nog meer jongemannen tijdens hun diensttijd zijn gestorven. Bovenstaande lijst bevat ook enkelen die niet in Stad Hulst waren gekantonneerd maar te Grave in de 7e afdeling infanterie.

In mei 1832 was de situatie zo ernstig dat vele nieuw opgeroepen schutters de dienst weigerden. Ze zouden graag de wapens willen opnemen ter bestraffing en verguizing van 't Belgische Verraad en Ontrouw, maar de vaderlandslievende overtuiging woog niet op tegen de ziekten die men in Zeeland kon oplopen. Volgens de burgemeesters was de Zeeuwse lucht voor onze schutters niet te verdragen, want: "Onze ingezetenen wonen verre van zee, op eenen hoogen en droogen zandigen grond". Uit Gramsbergen waren op dat moment reeds 16 schutters overleden en 5 zwaar ziek. Uit Ambt Hardenberg waren er reeds 17 gestorven 'en alzoo nagenoeg de Vierde Man' (op dat moment waren er 72 mannen uit gemarcheerd). Velen lagen nog in hospitalen en 11 bevonden zich thuis, waaronder ook 'enigen bedenkelijk ziek'.
In Stad Hardenberg was men eveneens ten einde raad en in rouw gedompeld. Ondanks alle pleidooien aan Zijne Majesteit de Koning, waarin verzocht werd tot dislokatie van de schutterij uit Zeeland naar een ander, meer gezond punt op de defensielinie of desnoods in de aanvalslinie, bleef men tot midden 1834 in garnizoen te Stad Hulst.


Staatsieportret van Koning Willem I.

Niet alle dienstplichtigen vertrokken op 24 februari 1831 naar het front. Enkele jongeman nen hadden een plaatsvervanger kunnen vinden, welke uit eigen zak betaald moest worden. Door geldgebrek en een tekort aan remplaçanten moesten de meesten zelf de dienstplicht vervullen. De soldaat kreeg maar een vergoeding van enkele centen daags. Een dagloner verdiende in deze tijd 10 gulden per week met kost en inwoning. De huisgezinnen die, door het gemis van echtgenoten en zonen, zonder bron van inkomsten achterbleven, kwamen in aanmerking voor steun. Het gemeentebestuur beloofde dat de arme nablijvers niet van honger zouden omkomen. Er werd een Fonds van Onderstand opgericht. Men rekende erop dat er minimaal tien gulden per week voor de vijf armste gezinnen zou binnenkomen. Al gauw bleek dat er amper geld in het fonds werd gestort. In Hardenberg en omgeving beleefde men slechte tijden door grote overstromingen waardoor de oogst geheel mislukt was. Drie maanden na 't vertrek van de schutters was wel duidelijk dat men op vrijwillige basis geen 'comptanten' binnen kreeg. Er werd overgegaan op een verplichte bijdrage onder de rijkste ingezetenen.

Evenals de kostwinners konden ook de schoolmeesters en commiezen node worden gemist. Een dagloner of boerenknecht was nog wel te vervangen, maar waar haalde men een plaatsvervangende schutter, schoolmeester of commies vandaan? Bewoners van de buurtschap Bergentheim zagen het helemaal niet zitten dat hun meester Gerrit Jan Evers alias Gerrits in dienst moest. Zij stuurden een verzoekschrift tot vrijstelling naar de gouverneur der provincie Overijssel. Als hij zou besluiten dat de schoolmeester niet in dienst hoefde, beloofden de boeren zestig guldens in 't fonds van vrijwillige wapening storten. De schoolmeester moest zich echter, evenals andere dienstplichtigen, gewoon op mars begeven naar het front. Hij moest zelfs het goede voorbeeld geven! Uiteindelijk vond de schoolmeester een plaatsvervangend schutter genaamd Geert Leverink uit Rheeze.


De smeekbede tot behoud van hun schoolmeester werd ondertekend door de gezinshoofden van de buurtschap Bergentheim.

In de buurtschap Baalder kampte men met hetzelfde probleem. Hun schoolmeester Frederik Brink was oak opgeroepen om te vertrekken naar het voormalige Staats­Vlaanderen. Gelukkig vond men op de valreep een waarnemend schoolmeester in de persoon van Jannes van Loo uit Hardenberg. Deze was echter niet bekend met de nieuwste lees- en schrijfkunst methode en de schoolopziener huldigde de regel 'beter geen hulp dan onvoldoende'. Hoewel de bevoegde schoolmeesters Jan Hendrik Hellwich of Hendrik Rolleman de vacature oak zouden kunnen vervullen, pleitte het gemeentebestuur voor Jannes van Loo. Deze had immers al eens in Baalder voor de klas gestaan. Oak was Jannes een vorst- en vaderlandlievend man. Hij genoot een staatspensioen, omdat hij in 1814 als landstorm bij de Blokkade van Coevorden aan de hals gekwetst was. Na veel geharrewar mocht Van Loo de kinderen in Baalder les gaan geven. Meester Frederik Brink kon alsnog op 8 maart naar de verzamelplaats Deventer afreizen om zich bij zijn detachement te voegen.

Op de school te Anevelde werd de dienstplichtige Roelof Huurink tijdelijk vervangen door meester Gerrit Jan Meilink. De commiezen Jan Schotvanger en de tweeling Jan en Wilhelmus Kisjes hadden ook geen vrijstelling gekregen en werden sergeant in het leger van de Koning. Behalve Frederik Brink waren ook Gerrit Holtman en Hendrik Rengeling niet uitgemarcheerd. De eerste wegens ziekte en Rengeling was de dag voor de afmars met heel zijn hebben en houden verdwenen uit zijn kosthuis bij de bouwman Jan Hendrik Kelder te Baalder. Hij was met de noorderzon vertrokken, waarschijnlijk naar het Graafschap Bentheim. De schutter Gerrit Holleboom uit Heemse kon ook niet mee naar Deventer, hij zat daar namelijk al. Wegens correctionele detentie was hij te gast in de gevangenis. Om aan zijn straf te ontkomen had hij nog aangeboden om vijf jaar als vrijwilliger in dienst te treden. Na zijn vrijlating was hij dermate verzwakt, dat hij pas in november 1831 af kon reizen naar Doesburg om zijn uitrusting te halen.


Marsorder en signalement Gerrit Holleboom.

De gemeentebesturen hadden door de mobilisatie veel extra werk gekregen. Het onderwijs en de openbare veiligheid moesten gegarandeerd worden. De achtergebleven hulpbehoevenden verzorgd, collectes werden georganiseerd voor een monument en de nabestaanden van de zeeheld Van Speijk. Voor de gekwetsen in de Tiendaagse Veldtocht werd een baaltje met pluksel, windsels en scheurlinnen verstuurd en voor de verminkten bij het Kasteel van Antwerpen bracht een inzameling te Ambt Hardenberg ruim 39 gulden op. Het meeste werk werd door de burgemeesters gedaan, de immense stroom aan correspondentie met de gouverneur, de legerleiding en de verzoekschriflen om verlof of vrijstelling kostte erg veel tijd. De veldwachter had het druk met het opsporen en terugbrengen van deserteurs. Hij moest oak uitkijken naar een Belgische spion genaamd Fait, ltaliaan van geboorte en houder van een Frans paspoort. Deze was vertegenwoordiger voor de fabrikant Lodrigo Hendriks te Sint Nicolaas. De spion zou een chemisch middel kennen, waarmee alle handtekeningen en geschriflen na te maken waren.

In Hardenberg ontving de burgemeester vele publicaties van de Koning. Naast allerlei militaire besluiten kwam er ook een bericht dat de dankdag of godsdienstige viering der Overwinning van Waterloo op de derde zondag in juni was bepaald. In Gramsbergen waren twee mannen die zich in 1830, na de eerste oproep van de Koning, vrijwillig voor de dienst hadden aangemeld. Dit waren het jonge klerkje Jacobus Adrianus van Wijngaarden en de lange gezette landbouwersknecht Jan Harmen van Aans.[

Jan Harmen van Aas meldde zich aan als vrijwilliger. In 1839 kreeg hij als dankbetuiging een certificaat van Koning Willem.

Niet alle soldaten gingen blijmoedig op pad. Zo dacht Gerrit Jan Schrotenboer Hendrikuszn. een plaatsvervanger gevonden te hebben in de persoon van Hendrik Zacher geboren Roeijink uit Uelsen. Op de dag van het vertrek was Hendrik in geen velden of wegen te bekennen en zat er voor Schrotenboer niets anders op dan mee 'op mars' te gaan. Zijn stiefvader Gerrit Jan Lamberink overspoelde het gemeentebestuur met smeekbeden: zijn oudste stiefzoon moest thuiskomen want hij was onmisbaar op het bedrijf. Zacher bleek zich ook in Zwolle verkocht te hebben als remplacant en was niet erg betrouwbaar. Eind juli zat Gerrit Jan nog altijd op Hendrik Zacher te wachten, zolang deze niet kwam opdagen mocht Gerrit Jan niet naar huis. Uiteindelijk kwam Schrotenboer in Hulst terecht, hij kwam nooit meer thuis.

Ook schutter Hendrik Veltink uit Collendoornerveen had geen geluk met zijn remplacant. Deze Jan Broekhuizen uit Ommen raakte op 3 april, toen men op mars was naar Hulst, te Werkendam 'vermist', met medeneming van wapens en kleding. Het vermoeden rees dat hij naar de vijand was overgelopen, aangezien hij gesignaleerd werd in 't Belgische plaatsje Stekene. De desertie van Broekhuizen resulteerde in een hernieuwde oproep aan de werkelijk dienstplichtige Hendrik Veltink om zich zo spoedig mogelijk in Zeeland te melden. Veltink had al veel kosten gemaakt om niet ten strijde te hoeven trekken, nu moest hij voor de tweede maal diep in de buidel tasten. Het lukte hem om de 33-jarige Berend Schollink uit Heemse als waarnemer te strikken. Berend meldde zich op 6 december 1831 in 't Gelderse Doesburg om zijn uitrusting af te halen. Al met al een hele opluchting voor Hendrik Veltink.

Jan Brand uit Heemse vroeg kort voor vertrek vrijstelling, omdat zijn enige broer Jannes lam en zinneloos was. Ook zijn verzoek werd geweigerd en in uiterste wanhoop kapte hij het eerste kootje van zijn rechter wijsvinger af. Hij moest voor de militieraad in Zwolle verschijnen en werd wegens zijn verminking ongeschikt bevonden voor de gewone militaire dienst. Hij werd ter beschikking gesteld van het departement van oorlog en kwam terecht bij de 7e afdeling infanterie en overleed in 1837 te Zwolle. Ook in Zwoller kerspel en Staphorst misten jongens hun wijsvinger. Volgens de militieraad was het bijna onmogelijk om met houthakken juist dat gedeelte van de wijsvinger weg te nemen, zonder vooral de duim en andere vingers te kwetsen. Het was wel heel toevallig dat de wijsvinger juist in het gewricht was afgekapt.

Egbert Vinke uit Heemse was ook met geen mogelijkheid naar het front te krijgen. Uiteindelijk werd hij onder geleide weggebracht en overleed te Stad Hulst in juli 1833. Jan Zweers Fzn. ontsliep een maand later, zijn nalatenschap bestond uit twee zilveren oorringetjes en bijna acht guldens.

De enkele gezonde schutter die met verlof naar huis kwam, probeerde dit zo lang mogelijk te rekken. Het was erg moeilijk om als boerenzoon in Zeeland groothartig 't Volk en Vaderland te dienen als er op eigen grond gezaaid en geoogst moest worden. Thijs Stegeman uit Brucht kon zijn land niet bewerken zonder de hulp van zijn enige zoon Derk Jan. Hij stelde dan ook alles in 't werk om hem thuis te houden. Maandelijks gingen er brieven naar de gouverneur en uiteindelijk ging hij zelf voor een persoonlijk onderhoud naar Zwolle. Het onmisbaar zijn op de boerderij bleek geen reden te zijn voor vrijstelling.

De boerenknecht Lugger Reinink had al in 1823 te Coevorden de schutterlijke eed afgelegd samen met Jan Willem Koning, Gerrit Willem Bollemaat, Egbert Hannink, Gerrit Kampman en Gerrit Tassink. Oak hij werd in 1831 opgeroepen voor de werkelijke dienst. Toen hij zich in Hulst bevond kreeg hij buitengewoon verlof. De majoor van de vijfde compagnie had een brief van Jannes Stoeten, wonend op het erf Monnekemeijer te Lutten ontvangen. Lugger moest onmiddellijk thuiskomen om Jannes' dochter Aaltje te trouwen, deze was namelijk hoogzwanger. Reinink kreeg drie weken verlof en reisde dadelijk naar Lutten. Hij kwam hier echter doodziek aan en voordat het huwelijk ingezegend kon warden stierf hij ten huize van zijn aanstaande schoonouders. Hij overleed op 28 september 1831 's morgens om 7 uur, 's avonds om 10 uur beviel zijn toekomstige bruid van een dochter genaamd Luggertje. Als ongehuwde moeder bleef Aaltje toch niet onverzorgd achter. Toen Lugger ziek in de bedstee bij de keukendeur lag liet hij de notaris komen. In het bijzijn van vier getuigen dicteerde hij zijn laatste wil. Op de keuken van erve Monnekemeijer werd beschreven dat al zijn bezittingen na zijn dood zouden overgaan op zijn verloofde Aaltje. Zij zorgde ervoor dat Luggers nagelaten 'monterings- en equipementsstukken' teruggezonden werden aan majoor Boelen, hoofd van de administratie van de 12de afdeling infanterie te Doesburg.


De overlijdensakte van Lugger en de geboorteakte van Luggertje, het onwettige kind van Aa/tje Stoeten.

Op 8 oktober 1833 besloot Koning Willem dat de gewezen schutter Lambert Klement in aanmerking kwam voor een gratificatie van 40 gulden. Lambert was als plaatsvervanger van Herm Jan Welink als schutter vertrokken. Hij was, evenals bijna het hele garnizoen, getroffen door de endemische koortsziekte. Hij belandde in het hospitaal te Utrecht. Doordat zijn zoontje en schoonmoeder overleden, kon zijn vrouw hem pas in april naar huis halen. Hij leed aan ontvelde hielen, wat later overging in gangreen. Hierdoor kon hij zijn beroep als schoenmaker niet meer uitoefenen, hij kon niet meer staan en gaan, nog niet te spreken van zitten! Een enkele zieke schutter werd uit de dienst ontslagen, Jozua de Hond wegens gebrek aan verstandelijk vermogen, Teunis Nijzink had pijnen in de borst, lever, maag en milt en alle kentekenen van heimwee, Jan Nijkamp een slepende borstziekte vergezeld van een opening en ontsteking in het been en Jan Hendrik Slotman leed aan een slepende leverziekte. De wildste geruchten gingen rond, onderstaand artikel verscheen in 1972 in "Het Dagblad van het Oosten", in de reeks 'Zwerftochten door de Vechtvallei door G.J.Eshuis'

Na de Tiendaagse Veldtocht, begin augustus 1831, besloot de Koning op 12 september dat alle dienstplichtigen zouden worden onderscheiden met het metalen kruis. Deze medailles werden geslagen uit het staal van de op de Belgen buitgemaakte kanonnen. Men hoefde dus niet daadwerkelijk aan de strijd te hebben deelgenomen om in aanmerking te komen voor deze onderscheiding. Er werd nauwkeurig bijgehouden wie onder de wapenen waren. Van onze schutters, die op 10 april in Staats Vlaanderen aankwamen, waren de foerier Hendrik van Faassen en de schutters Jan Klooster, Lubbert Kleintjes en Jan Willem Bouwhuis al in juni wegens 34-jarige ouderdom uit de dienst ontslagen. Gerrit Stroeve en Reinhart Weerts waren sinds eind mei ziek thuis. Jan Broekhuizen was in juli als deserteur van de lijst afgevoerd, Johannes Jacobus Mommen was op 4 augustus wegens lichaamsgebreken ontslagen enzovoort.

Wie kreeg een medaille? In principe iedereen die sinds de oproep tot mobilisatie in dienst was getreden. Alleen de soldaat die iets op zijn kerfstok had werd aan een nader onderzoek onderworpen en niet direct met een kruis beloond. Zo waren de schutters Jan ten Brinke en Jozua de Hond wegens dronkenschap en liederlijkheid regelmatig in het cachot op water en brood gezet. Zij kregen nog drie maanden de kans om hun leven te beteren. Helaas, voor hen geen kruis.


Het metalen kruis. Hierbij hoorde een lint dat bestond uit zes verticale banen in blauw en oranje en een certificaat.

Op 25 juli 1834 besloot de koning dat de schutters met groot verlof naar huis mochten. Hierop deed de gouverneur van Overijssel een oproep aan alle gemeentebesturen om de verlofgangers feestelijk te onthalen. Onze manschappen arriveerden reeds op 19 augustus te Kampen en de Gramsbergers trokken op vrijdag 22 augustus huiswaarts. De burgemeester en een raadslid reden in met eiken kransen en vlaggen versierde rijtuigen tot dichtbij Ommen om de schutters op te halen. Bij de ingang der stad Gramsbergen was een ereboog geplaatst en er werd een dankdienst in de kerk gehouden. Het grote feest werd pas op zondag gevierd, op de verjaardag van Zijne Majesteit de Koning. Het gemeentehuis was die avond fraai verlicht en men werd feestelijk op brood en wijn getrakteerd. Alleen de grote zaal van het stadhuis te Hardenberg was groot genoeg voor de feestelijkheden. Daarom besloten Ambt en Stad samen een feestprogramma op te stellen en de kosten, naar later bleek 132 gulden, te delen.

Op zaterdag 23 augustus keerden de Hardenberger schutters terug uit 'den Strijd van Eer, naar Haard en Altaren'. In de vroege morgen trokken hun al met verlof thuis zijnde wapenbroeders en andere ingezetenen naar de Herberg de Koetswagen of de Hongerige Wolf onder het Ambt Ommen. De schutters werden vanaf hier, op met nationale- en oranje vlaggen versierde wagens, naar de ingang van het Heemser Bosch vervoerd. Hier had men twee stukjes kanon geplaatst, afkomstig van het Huis te Heemse. Zodra men de schutters in zicht kreeg werden zij met herhaalde ere-schoten begroet en door de Burgemeesters en Assessoren welkom geheten. Vervolgens ging men onder aanvoering van sergeant Reindert Kampherbeek in optocht richting Hardenberg. Aan het hoofd van de groep droeg men de nationale- en oranje vlaggen. Ook aan de kerktorens van Heemse en Hardenberg, aan alle publieke gebouwen en tal van huizen wapperden de vlaggen. Onder het luiden der klokken liep men in plechtige optocht door het dorp Heemse. Steeds meer mensen sloten zich aan en door een zich steeds herhalend, met trommelslag afwisselend gezang 'Hoezee! Leve het Vaderland! Leve de Koning!' werd men als het ware verdoofd. De eerste verversing werd aangeboden bij het Huis te Heemse en de tweede stop was bij het ambtshuis aldaar. Hierna ging men verder langs de met groen en bloemen bestrooide weg. Door een op de brug over de rivier de Vecht geplaatste ereboog 'prijkende met een passend opschrift en vlaggen beider couleuren'. Voor de burgemeesterswoning in de Voorstraat werd een kring gevormd en werd men toegesproken: "daar bij den Schutteren, bij de Asch hunner Wapenbroederen, van wien het hen allezints leed deed dezelve niet met hun te hebben kunnen zien te rugkeeren , bezweerende hun zwaard niet in de schede te laten roesten, maar op de eerste Roepstem des Vaderlands en des Konings wederom blijmoedig onder de Leus van Neerland en Oranje naar de Grenzen van hetzelve te snellen ter beider eervolle Behoudenis." Vervolgens toog men naar het zeer smaakvol met groen en bloemen en vlaggen versierde kerkgebouw waar dominee Bosch de schutters, vanaf dezelfde plaats waar hij hen ruim drie jaar geleden vaarwel had gewenst, nu weer begroette. God werd gedankt en onder orgelspel zong men nationale liederen zoals 'Wien Neerlandsch bloed'. De jongelingen en jonge dochters uit beide gemeenten brachten nog enkele speciaal voor deze gelegenheid gemaakte liederen ten gehore. Tot besluit werd men in het Raadhuis onthaald op jenever, pijpen en tabak, 's Avonds werd er verder gefeest 'bij Pijpen en Tabak, Wijn, Brood en Kaas' en eindigde deze ge­ denkwaardige dag in 'blijde Vergenoegen en te Vredenheid'.

Terug Naar Boven