Brand in Stad Hardenberg

Over de grote brand in Hardenberg schreef de heer Klaas Jongsma (1872-1959) een beeldend verhaal. In onderstaand artikel worden de meest relevante gegevens opnieuw beschreven. Doordat archieven ondertussen beter toegankelijk zijn geworden, kon de geschiedenis op diverse punten worden aangevuld. Ook zijn, door meer uitgebreid historisch- en genealogisch onderzoek, verschillende storende fouten aan het licht gekomen. Het boekje van Jongsma is dit jaar, ter ere van de herdenking van de grote stadsbrand van 8 mei 1708, opnieuw uitgegeven (ISBN: 978-90-813017-2-5).

D. Hesselink-Zweers

De Grote Brand

Het boekje 'De Grote Brand’ te Hardenberg (8 mei 1708), geschreven door K. Jongsma, werd in 1966 door uitgeverij A. Kremer te Hardenberg uitgegeven. De heer Klaas Jongsma was onderwijzer in Stad Hardenberg; daarnaast was hij amateurhistoricus en -archeoloog, die zich vele jaren, ook na zijn pensionering, met de geschiedenis van Hardenberg en omstreken heeft bezig gehouden.

Op 8 mei 2008 werd ter gelegenheid van de herdenking van de brand dit 23 pagina’s tellende boekje bewerkt en uitgegeven door uitgeverij Heijink. In deze 30 pagina’s tellende heruitgave werd het voorwoord, met de titel ‘Vuur als gemeenschappelijke vijand’, geschreven door Martin Cuperus, brandweercommandant van de gemeente Hardenberg. Als slotwoord werd een citaat van stadssecretaris Jacobus van Riemsdijk (eind achttiende eeuw) aangehaald. In deze heruitgave is de taal iets aangepast en zijn enkele (schrijf)fouten verbeterd. Ook zijn in deze kleurenuitgave foto’s en onderschriften toegevoegd en is de tekst ingedeeld in hoofdstukken.

In de heruitgave is ervoor gekozen om het voor- en slotwoord van uitgever Kremer weg te laten. In dit voorwoord refereerde Kremer onder andere aan het herdenkingsfeest ‘600 jaar Hardenberg’. Hierin werd, in 1962, de brand herdacht in een historisch openluchtspel. Het werd geschreven door de heer C. Lina en de prachtige decors waren van de hand van de heer Jacquet, beiden leraar aan de Chr. MULO... ruim 7000 personen woonden de twee opvoeringen bij. Het opstijgen van de rookwolken en de gloed van het vuur tegen de donkere hemel vormden een fantastisch effect op deze fraaie zomeravond.

In het slotwoord, getiteld ‘Hardenberg in 1966’, schreef uitgever Kremer dat hij in het huis van de familie Krul, dat tijdens de brand van 1708 gespaard bleef, heeft gewoond. Op deze plek tegenover de kerk bouwde de firma A. Compagne en Zonen later een nieuw pand. De uitgeverij van Kremer was inmiddels verhuisd naar de Bruchterweg. Kremer beschreef de stadsontwikkeling en industrialisatie, de toestroom van vreemde mensen die inmiddels een ander stempel drukten op de samenleving. De geboorte van de 25.000ste inwoner - Erik Hobo op 24 april 1966 - illustreerde het ongedacht snelle tempo van Hardenberg-in-opmars.

De uitgave begint met een beschouwing over de gevaren, waaraan vooral een stad zoals Hardenberg, met haar dicht opeenstaande huizen, blootstond. Van alle gevaren was brand, het vuur, wel het ergst. In vroeger tijden was men voor verlichting, koken en warmte aangewezen op open vuur. Ook ’s nachts liet men een kooltje vuur smeulen, want het was niet zo gemakkelijk om vuur te maken. De woningen waren meestal gemaakt van uiterst brandbaar materiaal, zoals hout en stro. Een verdwaald vonkje kon de grootste ramp veroorzaken. Om de stad voor brand te bewaren werden dan ook scherpe voorzorgsmaatregelen genomen.

Hardenberg werd tot tweemaal toe geheel door brand verwoest. De eerste brand was niet in 1479, maar volgens overlevering in het jaar 1497, op de dag Laetare, dit is de derde zondag voor Pasen. Deze brand zou zijn veroorzaakt door bliksem. Op één van de tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Duitsland weggevoerde kerkklokken stond volgens Jongsma het jaartal 1506. In dat jaar was de klok omgegoten, nadat het weer haar had doen verbranden.

Waarschijnlijk heeft de stad Hardenberg nog een keer gebrand. Dit zou volgens onderstaande getuigenis rond 1536 zijn geweest. Wanneer in 1551 een zekere Albert uit Radewijk wordt verhoord in een rechtszaak, getuigt hij dat er veertien jaren eerder iets was voorgevallen, in de tijd toen de Hardenberger brand was. Twee jaar eerder wordt er gesproken over een nieuw getimmerd huis, op dezelfde conditie als toen de Hardenberg in brande verongeluckede. Ook is Gramsbergen in deze tijd, in november 1530, door brand getroffen en worden ze geholpen door de provincie.


Afbeelding van Hardenberg, gemaakt rond 1732, door Andries Schoemaker, Cornelis Pronk of Abraham Haen op hun reis door Overijssel. Op deze prent is geen Vechtbrug te bekennen of het zou het hekje linksvoor moeten zijn. Ook ontbreken de huizen in de Achterstraat.

De brand in 1708

Over de brand op 8 mei 1708 schrijft Jongsma onder andere dat deze is ontstaan bij Aaltje Kraak alias Otten Aaltje, de weduwe van Berend Cramer. Dit is een verkeerde veronderstelling. Aaltje was de weduwe van Berend Kraak en woonde in de buurt van de tegenwoordige stadsmuur. Berend Cramer, de stadssecretaris, leefde nog ten tijde van de brand. Hij woonde naast het gespaard gebleven huis van Krul in de Voorstraat. Aaltje Kraak was bezig met het verstellen van de hoozen (dit is een broek, Jongsma schrijft kousen) van haar zoon, die schippersknecht was. De benodigdheden voor het verstelwerk lagen in de donkere bedstee. Bijgelicht door een lampje ging ze de lapjes stof zoeken en dit liep uit op een grote catastrofe. Het vlammetje van haar lamp zette het droge riet in brand en het duurde niet lang of de vernielende vlammen, volgens Jongsma aangewakkerd door een felle oostenwind, legden het stadje Hardenberg in de as... het bulderen van de vlammen en het geknetter van het vuur met het gekraak van de instortende huizen overstemt het gegil van de vrouwen, het geschrei van de kinderen en het geschreeuw van de mannen.

Slechts een paar gebouwen werden gespaard. Dit waren de uit stenen opgetrokken kerk met klokkentoren, een gedeelte van het tegenover de kerk staande huis van Krul en het schooltje op de eiermarkt, nu Boumanplein. Buiten de stadskern, bij het oude kerkhof van Nijenstede, bleven ook nog drie huizen bewaard. Deze werden toentertijd waarschijnlijk bewoond door de families Smoes, Dijk, Cremer en Schram.

Jongsma schreef dat dit de families Zweers, Mollen, Kremer en Smit waren. Zoals uit onderstaande notitie blijkt, was dit pas veel later het geval.

Toen op vrijdag 30 maart 1781 brand uitbrak bij Hendrik Pot aan het Oosteinde en de burgers dit nog net Gedankt zij den Hemel! hadden kunnen blussen, kwam de magistraat de volgende dag bijeen. Ze besloten dat de huizen, die tijdens de brand van 1708 gespaard waren, net als de andere huizen in de stad voortaan met pannen moesten zijn gedekt. Voor het einde van het jaar moesten de bewoners Jan Hendrik Zweers, Jan Hendrik Moller, Thijs Kremer en Jannes Smit, de strodaken van hun huizen verwijderd hebben. De eigenaren kregen hiervoor uit de stadskas elk een douceur van twee gouden ducaten en konden eventueel een lening tegen drie procent van de stad krijgen. Deze gespaarde huizen stonden aan het Oosteinde, nu een nieuw gebouw schuin tegenover ‘Den Herdenbergher’. Deze huizen hadden toentertijd zicht op de rivier de Vecht, die stroomde aan de overkant van de weg, nu ongeveer Burgemeester Bramerstraat.

Enkele weken na de brand in 1708 werden alle ingezetenen bijeengeroepen door de magistraat. Gezamenlijk besloten ze dat alle nieuw te bouwen huizen van dakpannen moesten worden voorzien. Iedereen was er van overtuigd dat de ramp voor een belangrijk deel te wijten was aan de dakbedekking met stro. Secretaris Kramer noteerde de volgende woorden nae dat God Almachtigh ons op den 8 meij deses Jaers door een sware en ongeluckige Brandt soo jammerlijck heeft besoght, welcke generale en groote distructie voor het meeste gedeelte door het Stroodack is veroorsaackt…Iemand die niet aan het besluit voldeed, kreeg geen ondersteuning. Er werd afgesproken dat medeburgers toestemming kregen het stro van de daken te halen en te vernietigen.

Bij de felle brand gingen veel, voor de geschiedenis van Hardenberg belangrijke, documenten verloren. Men moest kosten maken voor de vervanging van bijvoorbeeld belastingkohieren, verpondings- en vuurstedenregisters en ook voor diverse kerkboeken. In de nieuw aangelegde boeken werd vaak eerst een notitie gemaakt over de bedroevende brand die de stad was overkomen. In een van deze kerkboeken werd geschreven dat de brand ‘s middags om half zeven was ontstaan bij de oude vrouw Otten Aaltje. Binnen twee uur was de stad veranderd in een puinhoop. Volgens dit boek bleef het raadhuis, tegenover de kerk, de school en kerk gespaard en nog drie huizen staande op het eind bij het kerkhof. Er werd geschreven dat in hetzelfde jaar de stad weer herbouwd werd, op twee of drie huizen na. In het boek van de kerkvoogdij werd een zelfde soort verhaal geschreven. Hierin wordt echter gezegd dat de brand ’s middags om half drie ontstond. In plaats van het raadhuis staat hier dat Kruls huis, staande tegenover de kerk, gespaard bleef.


Ook in het trouwboek van de kerk lezen we over de brand die ontstond bij Aaltje Kraak, alias Otten.

Het memoriaal van de Stad beschrijft de behouden huizen als volgt de kerck en schole, dat huijs voor het grootste gedeelte van de weduwe Kruls, en drie huijsen staende naest nae den kerkhoff van Hardenbergh.

Jongsma was niet de enige die de brand van 1708 heeft beschreven. Bijna twee eeuwen eerder had de stadssecretaris Van Riemsdijk dit ook al gedaan. Hij schreef over beide grote branden en haalde daarbij de woorden aan die Seneca, een romeins filosoof die leefde ten tijde van Christus, sprak over de brand van Lyon Daar is maar eenen Nacht geweest tusschen een stad en een stad welke er niet meer is! Jongsma maakte voor zijn boekje gebruik van de door Van Riemsdijk verzamelde bronnen. Buiten deze gegevens uit het stadsarchief vond hij een schitterend verhaal in ‘De Clapper der Calkoens’. Hierin staat een uitgebreid verslag van de grote brand in 1708. De ooggetuigen, de heer Calkoen uit Hoogeveen en de landmeter Willem Donselaar, bevonden zich die achtste mei op de Braamberg. De wind kwam uit het zuid-oosten en ze roken een scherpe brandlucht. Eerst dachten ze dat er veen of turf verbrand werd. Al gauw kwamen er mensen die riepen: ‘Brand! Brand! Heel Hardenberg steet gleunig!’ Omdat Donselaars zwager daar schoolmeester was, trokken ze linea recta naar Hardenberg. Onderweg hoorden ze dat de brand al vroeg in de morgen was ontstaan. Ze zagen bij aankomst, dichtbij de Vechtbrug, nog vijf huisjes staan. Verder was alles, op het schoolhuis van de zwager na, vernield. Alles lag in puin en de bewoners kampeerden aan de oostkant van de plaats, buiten gevaar van vuur en rook…

Jongsma zette verschillende vraagtekens bij dit verhaal. Vooral de tijd van het ontstaan van de brand en de gespaard gebleven huizen klopten niet. Nu weten we dat dit verhaal is geschreven door de Hoogeveense schrijver en schilder Albertus Steenbergen (1814-1900). Hij publiceerde veel van dit soort verhalen in de Hoogeveense Courant en in de Nieuwe Drentsche Volksalmanak. Volgens hem haalde hij de stof hiervoor uit het moeilijk te ontcijferen, zeventiende eeuwse, dagboek van de familie Calkoen. Na Steenbergens dood werd deze zogenaamde ‘Clapper der Calkoens’ in boekvorm uitgegeven met als titel ‘Eene Drentsche veenkolonie in het laatste der zeventiende eeuw. Het journaal van A. en P. Calkoen. Met aantekeningen voorzien van A. Steenbergen’. Inmiddels was duidelijk geworden dat deze Steenbergen iedereen bij de neus had genomen. Het was een mystificatie, hij had het zelf verzonnen. Waar hij rond 1883 de gegevens over de Hardenberger brand vandaan haalde, weten we niet. Wel weten we dat deze fantast pas na zijn dood door mr. Joosting, rijksarchivaris te Drenthe, werd ontmaskerd.

Slachtoffers van de brand

Volgens Jongsma stonden er ten tijde van de grote brand ook huizen op de Pothof (omgeving Van Speykstraat) en het Hoofd (Sallandschestraat, voorheen ook Braaksteeg en Wipstraat genoemd). Voordat de stad Hardenberg ontstond, zullen er zeker mensen in deze omgeving, in de voormalige stad Nijenstede, hebben gewoond. Door de eeuwen heen zijn de huizen echter verdwenen en werd de Pothof gebruikt als tuin, misschien met een enkel schuurtje. Uit geen enkel document blijkt dat dit gebied tussen de zeventiende- en het eind van de negentiende eeuw werd bewoond. Hardenberg was tijdens de brand niet veel groter dan Voorstraat en Wilhelminaplein. Dit plein bestond toen uit twee straten, de Ganzestraat en Achterstraat, met aan de zuidzijde in het oosten de Höfte, nu ‘Höftekerk’ en aan de westzijde de Doelen, nu ‘het Hoge Doel’. Iets lager, op de latere eiermarkt, nu Boumanplein, stond het schooltje en een enkele woning. Verder woonden er nog wat mensen op het Zand langs de rivier, later Oude Bosch geheten, en aan het Slat, richting de Koppel, waar doodgraver Vasse later woonde.

Omdat de in het boekje aangehaalde lijst met inwoners diverse fouten en hiaten bevat, wordt deze lijst hieronder in de juiste volgorde weergegeven. Tevens wordt aan de hand van deze lijst, waarop sprake is van 105 verbrande huizen, een poging gedaan inzicht te geven in de bebouwing van de stad tijdens de brand.

Door de volgorde van namen op deze lijst uit 1708 te vergelijken met vroegere en latere naamlijsten, kan een vrij goede reconstructie van de bewoning worden gemaakt. Na de brand werd bepaald dat ieder zijn huis moest opbouwen naar de grootte van het verbrande. Hieruit mogen we aannemen dat de afgebrande huizen merendeels op de oude fundamenten zijn herbouwd.


Register van de verbrande woningen stedeken Hardenberg.

Er waren twee lijsten. Een waarop de gedupeerden stonden en een met bewoners aan wie schadevergoeding werd uitgekeerd. Soms werd de schade aan iemand anders uitgekeerd, dit staat dan tussen haakjes. De lijst begint met de bewoners aan de noordzijde van de Voorstraat of Grootestraat, te beginnen bij de Vechtbrug: Jan Smit, Gerrit Berends Volkers, Jan Nijman, Reiner Derks, Harmen Richterink en Jacob Sierink (Jacob Sierink zijn kind). Ongeveer ter hoogte van de Krommesteeg: Jan Frederiks d’Olde (geen schadevergoeding), Arnold Voltelen, Berent Kramer, weduwe Kruls (burgemeester Krul zal de gekregen schadevergoeding verdelen onder de armen), Berend Pouwels, Abraham (Jansen) Keddeman (Derk Odink), Evert Timmerman, Hendrik Zweers (het lege huis van Voltelen), Hendrik Woelers (de erfgenamen van Swam Woelerts), Frederik Bloemers, Jannes Tonnissen.

Volgens Jongsma werd in het huis van Krul een steen in de voorgevel gemetseld met het opschrift:

ZOO DE HEERE HET HUIS NIET BOUWT, TE VERGEEFS WAAKT DE WACHTER

Wij kennen echter alleen de ingemetselde gevelsteen op het hoekhuis Voorstraat/Kruissteeg. Hier heeft in de achttiende eeuw burgemeester Evert Santman gewoond. In de negentiende eeuw werd het pand bewoond door de familie Heetderks van Munster, nu drogisterij Ter Veen. Deze steen, die enkele jaren geleden werd vervangen en verplaatst naar de zijkant, draagt als opschrift:

SOO DE HEERE DE STADT NIET EN BEWAERT, TEVERGEEFS WAECKT DE WACHTER

Ongeveer ter hoogte van de Kruissteeg: Gesina ter Welscher, Tonnis Derks, Lucas Lamberts, Thijs Lamberts, Jan Hendriks Kamerjan. Bij de Kamerjan- of Karnemelksteeg, op het huidige Klepperplein woonden: Helmich Zweers, scholtus Molckenbour, Jasper Zweers. We zijn nu in de buurt waar vroeger hotel Nijhoving stond, nu Hema: Harmen Volkers, Berend Berends Bakker, Battien Heinen, Derk Odink (Gerrit Jansen Konink).

We steken de weg over en vervolgen de ronde ter hoogte van de rond 1762 gebouwde pastorie van de hervormde kerk, nu Kruidvat. Richting het kerkhof zien we in de verte de drie huizen met strodaken staan, die tijdens de brand werden gespaard, nu is dat een vrij nieuw pand schuin tegenover ‘Den Herdenbergher’.

Ongeveer ter hoogte van de latere pastorie woonden: weduwe Hendrik Jurriëns, Jan Joosten, Evert van Assen (van Asten). Aan de weg naar Brucht , de westkant van de tegenwoordige Fortuinstraat: Hendrik Matekate, weduwe Hendrik Hooftman met drie huizen, respectievelijk verhuurd aan Berend Bakker, kommies Meetsma en Klaas Zweers, Hendrikje Derks. Op de hoek Fortuinstraat/Voorstraat, waar vroeger de Boerenleenbank stond, nu Vögele: Berend Abrahams, weduwe Egbert Hooftman, Jan Zweers, Harmen Amsink. We zijn nu ongeveer bij de binnenste stadsmuur. De resten van deze muur zijn te vinden onder het chinese restaurant. We zijn nu bij het zogenaamde Kruis en gaan van hier verder met: Asse Jansen Ribberink, Jan Derksen, weduwe Jan Volkers, Geert Jansen, Hendrik Gerrits de Klute, Engbert Hagen, Lambert Lamberts (zijn weduwe), de koster, Hendrik Harms van ’t Holt, Gerrit Woelders, Jan Venebrugge. Op de percelen van beide laatstgenoemden zou een eeuw later het stadhuis, nu museum Oudheidkamer, worden gebouwd.

We zijn nu in de steeg tussen het huidige museum en de kerk. Als we hier links de hoek omgaan, staan we voor de verdwenen Ganzestraat met aan de linkerkant de achterdeuren van de aan de Voorstraat gelegen huizen. De huizen aan de rechterzijde van de Ganzestraat hadden meestal de voordeur aan de hierachter gelegen Achterstraat. Deze Achterstraat begon bij het steegje tussen de kerktoren en het oude postkantoor en liep, zoals men nu nog kan zien, richting Höftekerk. Het is moeilijk na te gaan wie de voordeur aan de Ganzestraat of pal achter de kerk in de Achterstraat had. Het raadhuis stond, waarschijnlijk ook al voor de brand, ten zuiden van de kerktoren en tegenover de stadsmuur. Waarschijnlijk woonden in de Ganzestraat of in de nabijheid van de kerk: Albertien en Jan Sloten, Arend Herms (schadevergoeding door curatoren ingehouden), Christoffer Smit. Verdergaand woonden aan de linkerkant van de Achterstraat: weduwe Wessel Kramer, weduwe Rotger Willems, Hendrik Postdijk, Geert Takman, Jacob Jansen, Evert Postdijk, Hendrik Ophof, weduwe Klaas Gerrits Baak (Gerrit Klaasen Baak), Willem Engberts, Hendrik Boener, Jan Maasen. We zijn nu op den Hof, hier stond in een ver verleden het kasteel, de hof van de bisschop, nu staat hier de Höftekerk. In dit gebied woonden: Wolter Gerrits Twenteker, Willem Everwijns, Gerrit Baarslag, Albert Jansen Konink, Wessel Alberts, Gerrit Nijman, Harmen Jansen Kortmaat, Gerrit Engberts (geen schadevergoeding), Swane Everwijn (zie onderaan de lijst). Aan de laatste twee werd op deze plek geen schadevergoeding verleend. Waarschijnlijk woonden ze in het hier staande armenhuis van de diaconie, waaraan vijftig gulden werd uitgekeerd. Aan de zuidzijde van de Achterstraat richting huidige stadsmuur: Jan Jurriënsen, Egbert Kremer, Egbert ten Broeke, Gerrit Koninks? (achternaam is onleesbaar, er werd ook geen schadevergoeding voor deze huisplaats uitgekeerd), Gerrit Evers, de Weeme (pastorie), Berend Boerrigter, Willem Gerrits Bedeker, Harmen Abrahams, Jan Valkman.

Nu zijn we ongeveer bij het ‘Hoge Doel’ aangekomen. Op de Doelen stonden ook armenhuisjes van de diaconie. In deze buurt en op het lager gelegen Slat en Zand, richting de Vecht, woonden: Berend Nijman (zie onderaan lijst), weduwe Hendrik Berends (geen schadevergoeding), Gerrit Hendriks, Gerrit Jansen (Gerrit Slukien), Willem Berends, Gerrit Sierink (geen schadevergoeding), Gerrit Willems Santman (Sant Gerrit), Hendrik Holtman, Lamme de weduwe Asse Jansen. Vervolgens de weduwe van Berend Kraak. Dit was Otten Aaltje. Zij ontving veertig gulden voor de herbouw van haar huis dat stond aan het steegje, dat van het Boumanplein omhoog loopt naar de huidige stadsmuur. Dit werd later ook wel het Rode Hanensteegje genoemd.


In 1809 woonden er zeven hervormden aan het Rode Hanensteegjen.

Verdergaand vanaf het oude postkantoor naar de brug: Jan van Borne (op de lijst stond dat hij een schadevergoeding van f 74,- moest krijgen, maar hij schreef hier later zelf bij dit is seer qualijck geschreven want ick daer niet een stuver van gekregen hebbe, waer het gelt gebleven is weet ick niedt. Verderop woonden: Jan Odink, weduwe Jan Hooftman (de huisplaats waar Jan Hooftman zaliger heeft gewoond), weduwe Harmen Timmerman, Jennigje Sierink, weduwe Hendrik Molleman (Meuleman), hiervan behoord een helft van het huis aan de weduwe en de andere helft aan Voltelen, Otte Molleman (zie onderaan lijst), Willem Lambers, Lefert Derks. We hebben de ronde gedaan en zijn weer bij de Vechtbrug aangekomen.

Onderaan de lijst van hen die schadevergoeding kregen, staat onder Lefert Derks nog de naam van Gerrit van der Straten. Hij ontving f 70,- en is waarschijnlijk op de eerste lijst vergeten. Zijn nageslacht woonde aan het Zand, nu parkeerplaats achter ‘De Troubadour’. Op de lijst wordt vervolgens het Raadhuis vermeld, hiervoor werd f 74,- uitgekeerd.

Hierna volgen nog een aantal namen van mensen die maar twintig gulden kregen. Zij woonden waarschijnlijk in een huur- of armenhuis. Sommigen van hen hebben na de brand op een andere plaats een onderkomen gebouwd. Degenen die het minst kregen, waren: de weduwe Jan Hooftman, Hendrik Zweers Matroos (deze schipper woonde later op het Zand, dicht bij het Slat, nu zuidzijde parkeerplaats achter ‘De Troubadour’), Jacob Herms, Tonnis Geertsen, Kleine Harmen, Drummen Harmen, Berent Nijman, Bours Gese, Jonge Berent Volckers, Otte Molleman, de stadsdienaar, Fije en Eefse, Abraham Keddeman, Swane Everwijns, Paters Gerrit. Helemaal onderaan stond nog dat de chirurgijn Hondela voor meijsterloon 31 gulden en 10 stuivers ontving. Waarschijnlijk zijn er bij de brand toch mensen gewond geraakt.

De schadevergoedingen, die in december werden uitgekeerd, lagen meestal tussen de vijftig en tachtig gulden, al naar gelang de grootte van de verbrande woning. Secretaris Berend Kramer kreeg het meest, namelijk f 150,-, gevolgd door de weduwe Wessel Kramer met f 140,- en de weduwe Hendrik Hooftman. De laatste ontving voor haar drie woningen f 134,-. Verder kreeg niemand meer dan tachtig gulden. Waarschijnlijk hebben de burgemeesters Gerrit Sierink en Jan Frederiks de Olde de schadevergoeding geweigerd.

Over sommige van bovengenoemde slachtoffers zijn nog dingen bekend die in verband staan met de brand.

De weeme (pastorie aan de zuidzijde van de Achterstraat) werd ook door de brand verwoest. Hierin woonden de predikant Joannes Schukking, zijn vrouw de pastoorse Johanna Geertruit Borcherink en hun kinderen. Joannes Schukking werd beroepen in 1686 en overleed op 31 augustus 1707, een jaar voor de ramp. Hij werd als predikant opgevolgd door zijn, toen nog ongehuwde, zoon Anthonij (1685-1713). Deze werd in 1708 bevestigd als predikant van Hardenberg. Het kerkbestuur had echter geen geld om, in deze kwade jaren, een nieuwe pastorie te bouwen. Daarom werd de weduwe Hooftmans gerecommandeerd (aangeraden) haar huisplaats, zo enigszins mogelijk, nog dit jaar te betimmeren om te dienen tot predikantswoning. Men zal jaarlijks zestig gulden voor huishuur betalen. Zolang de eerwaarde geen huis heeft, zal dit bedrag aan hem worden betaald. In dit huis, gelegen aan de weg naar Brucht, woonde in 1723 dominee De Man. De weduwe van dominee Ter Poorten woonde hier nog tot haar overlijden in 1772. Pas in de herfst van 1761 werd besloten om de weeme te herbouwen, nu aan het Oosteinde van de stad. De in 1762 beroepen dominee Cornelis Hermannus Walraven was de eerste bewoner van de eindelijk herbouwde pastorie.

De koster en schoolmeester Gerrit Mensen Bloemers woonde aan de zuidzijde van de Voorstraat (nu boekhandel Heijink). Enkele jaren na de brand vroeg hij of hij in zijn ambt mocht worden opgevolgd door zijn stiefzoon. Volgens hemzelf was hij te oud en leed hij aan toevallen en zwakheden, voornamelijk veroorzaakt door de oribele brand en het smartelijke verlies van zijn huizen.

Volgens een notitie van 9 september 1708 zou er in Hardenberg kermis zijn geweest. Het is onwaarschijnlijk dat deze na de brand heeft plaatsgehad. Hoewel in latere jaren ook wel eens sprake was van kermis in september, werd ook eens geschreven dat de Hardenberger kermis van ouds op Sint Stephanus (26 december) werd gehouden. Waarschijnlijk heeft onderstaand voorval dan ook betrekking op het voorgaande jaar 1707. Op deze kermis heeft Lucas Lamberts uit de boerschap Anneveld (Anevelde) met een zekere Derck Lamberts, schipper van Ommen, gevochten. Dit gebeurde ten huize van de herbergier Lefert Dercks, wonende aan de brugge. Derck werd met een mes gesneden van het linker oor tot op het voorste van het kinnebeen, zijnde ruim een vinger lang.

We weten ook dat Berend Bakker van Ommen onder andere pachter van het gemaal van het kerspel Hardenberg, van het geslacht van stad Hardenberg, van de kannenaccijns van de wijnen en brandewijn en van het hoofdgeld. Hij inde dus de belastingen op brood, vlees, wijn en personen. Dit soort ambtenaren moest twee borgen hebben, die voor hem garant stonden. Voor Berend waren dit de Hardenbergers Evert Postdijk en Hendrik Ophof. Deze Hendrik Ophof was na de brand echter met zijn vrouw vertrokken naar het leger, als soetelaar of soldaat.

Na de brand werd door Claas Zweers een huis gebouwd op het erve Mensen of Mensink, zonder pacht te betalen. Dit erf bestond uit landerijen, gelegen in het wichbold (buurt) van Hardenberg. Het was in de middeleeuwen eigendom van het convent van Winsum bij Zwolle (Windesheim). Waarschijnlijk lag dit erve aan de weg naar Brucht, nu Fortuinstraat.

Hulpverlening

We lezen dat Hardenberg in hetzelfde jaar bijna geheel uit de as herrees. Het getuigt van een enorme inzet van zowel magistraat als burgerij. De hulpgoederen die omringende plaatsen leverden en de opbrengst van collectes hebben natuurlijk ook enorm geholpen. Toentertijd kon men zich niet verzekeren tegen rampen. Zelfs ruim een eeuw later, in 1809, kreeg Gerrit Reinders uit Baalder, wegens het verbranden van zijn katerstede, nog toestemming om zelf te gaan collecteren.

Een dag na de grote brand stuurde men vanuit Uelsen hulpgoederen, zoals een halve last rogge (over het algemeen bestond een last uit 27 mud en een mud uit 4 schepel), zevenentwintig broden en twee potten boter. De volgende dag zond Neuenhaus aan die verbrande ingesetenen tachtig broden en negen zijden spek. Weer een dag later, de elfde mei, arriveerden vier wagens uit Ootmarsum met daarop drie tonnen bier, enig linnen en 17 guldens en 1½ stuivers aan geld, zaad en verder spek en vlees tot ververschinge.

De dag daarna werd een last rogge gestuurd door Hendrik Jan Souris, richter van Uelsen en Uelsenkerspel. Dezelfde dag kwam uit Nordhorn 62 schepel rogge, 18 schepel boekweit en 179 pond spek en vlees. Op 19 mei stuurde de gemeente Wachtum veertien drentse mudden en drie schepel rogge en nog een gulden, acht stuivers en acht penningen en ook de boerschap Dalen kwam met giften.


Hulp en medeleven komt uit Uelsen op 9 mei 1708.

Om de stad weer op te kunnen bouwen, moest er worden gecollecteerd. Op 11 juni werden de collecteurs aangewezen. Zij moesten zowel in eigen land als over de grens geld gaan inzamelen. Hiervoor kregen ze een vergoeding, terwijl ook het eten en drinken en de paardenhuur door de stad werd betaald. Het kwam voor dat de vergoeding voor de collecteur meer bedroeg dan wat hij aan giften had ontvangen. De magistraat liet duidelijk weten dat het te ontvangen geld alleen voor de opbouw van de stad zou worden gebruikt. Dus niet als schadevergoeding voor verlies van huisraad, vee enzovoort.

Voor men op reis ging werd eerst toestemming voor de collecte gevraagd aan de stad Zwolle. Omdat het stadszegel was verbrand in het raadhuis, vroeg men aan Zwolle de certificaten, de geloofsbrieven waarmee de collectanten zich konden legitimeren, met hun zegel te bekrachtigen. De bestuurders van de stad Zwolle waren zogenaamde appelantsheren van Hardenberg. Als in de kleine stad Hardenberg een vonnis werd uitgesproken, kon de bezwaarde partij in Zwolle in appel (beroep) gaan. In de brief aan Zwolle werd over de snel om zich heen grijpende brand het volgende geschreven: weinige menschen van haare meubelen iets geborgen, andere en 't meeste wederom niets overigs gehouden hebben, als het geen aan haar lichaam hadden (God betert), tot de uiterste armoede gebracht, ten einde de meest behoeftige door deese aalmoesse int leven behouden mogen worden, en andere geholpen om een hutjen weder op te slaan, op haar verbrande huijsplaatsen.

stadszegel
Zegel van Stad Hardenbergh, in zwarte was, anno 1580.

Na de aanwijzing van de collecteurs werden op 13 juni de twee certificaten opgesteld voor schout Johan Molckenbour en burgemeester Arnold Voltelen (Naar hen zijn straten in de Marslanden vernoemd. De naam Voltelen moet worden uitgesproken met de klemtoon op de eerste lettergreep). Hiermee moeten ze naar Holland en Zeeland: naar de provinciale staten, magistraten, gerichten en andere overheden. De brief voor Holland begint met Dewijl het God Almachtigh belieft heeft het Stedeken Hardenbergh op dingsdagh den 8 meij deses jaars met een sware ongeluckige brand te besoecken… Ook hierin wordt weer gezegd dat alleen de kerk en school en drie à vier kleine woningen, staande buiten de kring van Hardenberg, gespaard bleven. Men rekent op de milddadigheid van goede en vrome christenen. De gecommitteerden kregen een collecteboekje mee op hun reis. Hierin zouden de bedragen worden aangetekend. De brief eindigde met de zegenwens God wil alle mildadige Christenen voor alle diergelijcke ongevallen bewaren, haar segenen en in alles voorspoedigh maecken. De brief kon alleen maar worden voorzien van het kleine stadszegel. Het grote zegel was in het verbrande raadhuis versmolten en verloren gegaan (bijna vijf jaar later was er nog geen nieuw groot zegel gemaakt en werd het kleine zegel met rode lak gebruikt). In de brief voor Zeeland schrijft secretaris Kramer bovendien dat Hardenberg gelegen is in de provincie Overijssel en dat het in minder dan twee uren is verbrand. Uit de onkostenvergoeding die schout en burgemeester ontvangen, blijkt dat ze 51 dagen in Amsterdam zijn geweest. Omdat ze wegens familieomstandigheden eerder naar huis moesten, zijn op 6 december burgemeester Jan Fredericks Olde en gemeensman Evert Timmerman daar nog 22 dagen geweest om de in het collecteboekje ingetekende penningen te innen en nog wat te collecteren.

Op dezelfde dag werd de commissiebrief opgesteld voor het landschap Drenthe, waar burgemeester Helmigh Sweers en Lucas Lamberts dertien dagen lang collecteerden. Later is Sweers ook nog twee dagen in Coevorden geweest. Beiden reisden ook af naar Twente, naar Almelo en Vriezenveen.

Vijf dagen later, 18 juni, werd de commissiebrief opgesteld voor de provincie Groningen en Ommelanden. Hier zijn burgemeester Albert Koninck en Jan Sweers 15 dagen geweest. Later ging Koninck nog een keer 15 dagen alleen.

Op 5 augustus werd het certificaat geschreven om mee te nemen naar de Graafschap Lingen en Munsterland. De gecommiteerden Christoffer Smits en Jacob Jansen zouden daar ook hun opwachting maken bij excellentie Thomas Ernst Dankelman, richter van de Graafschap Lingen, de magistraat van de stad Lingen en verdere regeringen, regenten en ingezetenen.

Op 13 augustus schreef de secretaris de brief voor de provincie Friesland. Oud burgemeester Evert Timmerman en de burger Berent Boerrigter bezochten hier grietmannen, magistraten en verdere overheden, kerkenraden en diakenen.

Op 3 september werd de brief opgesteld voor Munsterland. Christoffel Smits en Jacob Jansen, inwoners van Hardenberg, gaan onder anderen naar Zijn Doorlugtige Hoogheijd de Heere Prince en Bisschop van Munster, die wel Hoogh en Hoogh Eerweerdige Dom Capitulairen, de Hoogh Welgeboren Gestrenge Heren Drosten van Munsterland.

In alle commissiebrieven werd natuurlijk de brand beschreven, in steeds weer nieuwe bewoordingen. Ze werden geschreven door secretaris B. Kramer en namens het stadsbestuur ondertekend door een van de vier burgemeesters. Dit waren ten tijde van de brand G. Sijerijnck (Sierink), Wilh. Henr. Krull, Helmich Sweers (Zweers) en waarschijnlijk Derck Odinck. Elk jaar op Petri ad Cathedram, 22 februari, werden vier nieuwe burgemeesters Schepenen gekozen, de oud-burgemeesters werden dan Raaden. Op de collecteregisters worden oud-burgemeesters zoals Arnold Voltelen, Jan Fredericks Olde en Jan van Borne gewoon burgemeester genoemd. Doordat men na een jaar meestal werd herbenoemd, was het allemaal niet meer zo duidelijk.

Burgemeester Jan van Borne ging alleen en ook wel samen met Jan Fredericks het geld ophalen in de graafschap Bentheim, Twente, Almelo, Oldenzaal, Ootmarsum en Goor. Samen met secretaris Kramer verbleef hij vijf dagen in Deventer. Laatstgenoemde ging ook per paard naar de Stad Steenwijk en Stad en Lande Vollenhove om de gecolligeerde penningen te besolliciteren.

Burgemeester Wilh. Hend. Krull is samen met Jan Fredericks twaalf dagen in Gelderland geweest. Later ging Albert Koninck met hem mee om het geld van de Staten van Gelderland te halen.

Ook zijn burgemeester Derck Odinck en Jan Sweers nog drie keren naar de graafschap Bentheim geweest om geld op te halen.


Smeekschrift aan Ridderschap en Steden waarin wordt geschreven over de vehemente (heftige) en droevige brand waardoor de burgers in een miserabele toestand zijn geraakt. Men is radeloos. Hoe moet men aan brood komen? Zullen ze voor de aanstaande winter onderdak vinden?

In het collecteboekje staan veel namen van gulle gevers. Op een ander register worden plaatsnamen en instanties genoemd en de grootte van de gift. Naast een grote bijdrage van de provincie Overijssel werd er geld geschonken door: Lantschap Drenthe, Stad Coevorden, Stad Amsterdam, Edelen op de Veluwe en de Stad Zutphen, Heer van Swanenborg, Staten van Gelderland, Mennonieten van Deventer, Provintie Vrieslant, Stad Leuwaerden en de steden Harlingen, Franeker en Sneeck en enige particulieren, Stad Groningen met hare gilden, Boven- en beneden graafschap Benthem, Stad en carspel van Northoren, Vleck en consistorie en carspel van Gildehuijs, Stad Nijenhuijs, Clooster Frenswegen, Vleck Benthem, Stad Schuttrup, Gildschap One, Drostampt Twenthe, Stad en gerighte van Enschede, Gerighte van Borne, Stad en gerighte Delden, Stad en consistorie Rijssen, Stad en gerighte Oldenzeel, Diaconie Ootmarsen, Stad en gerighte Almelo, Heerlijkheid Vriesenveen, Drostampt Vollenhove, Swarte Sluijs, Wanneperveen, Stad Vollenhove, Oldemerckt, De Cuinder, De Beulake, Blockzijl, Giethoren, Stad Steenwijck, Hooftstad Campen, Steenwijcker wolt en den Blanckenham, Drostampt van Salland, Olst, Holten en Batmen, Wijhe, Heijno, Hellendoorn, Dalfsen, Raalte, Den Ham, Carspel van Ommen en de Stad Zwolle.

Vuurwetten

Van oudsher was men alleen burger van Hardenberg door geboorte of huwelijk. Mensen van buiten, die in Hardenberg wilden komen wonen, moesten voordat zij vuur en rook mochten houden, eerst de burgerschap kopen. Naast een aanzienlijk geldbedrag kostte dit een leren emmer, een stoel en een ton bier. In sommige tijden was het ook mogelijk hier op sittelgelt (met toestemming tegen een jaarlijks te betalen bedrag) te komen wonen.

In het oudst bekende wetboek van de stad stonden, naast veel criminele zaken, ook verschillende wetten die te maken hadden met het voorkomen van brand. Zonder toestemming mocht men geen ovens of daeren (droogovens) hebben of ‘s nachts vuur boeten (stoken). Men mocht geen vlas in de oven drogen of bij open vuur het vlas roten met een hamer. Ook mocht men ’s nachts niet swijngen noch hekelen. Roten, zwingelen en hekelen waren een processen om vlas van de vezels te ontdoen. Dit afval was erg brandbaar en werd dan ook gebruikt als stookmateriaal. Men mocht ’s nachts geen kaarsen gieten of naar buiten lopen met een kaars zonder lantaarn. Beëdigde vuurheren zagen hier streng op toe. Om de paar weken moesten ze controleren of iedereen een goede ijshaak in huis had. Ook als er ijs lag, moest men in geval van brand snel bij het bluswater kunnen komen. De vuurheren moesten gehoorzaamd worden, maar mochten natuurlijk zelf ook niet hun afgelegde eed breken. Er waren drie vuurheren. Wanneer de eerste twee weg waren, moest de derde de ronde doen, samen met de stadsbode. De wakers moesten ‘s zomers om 10 uur en ’s winters om 8 uur blazen. Als mensen bij overtreding geen boete, geld of bier, wilden betalen dan mochten de vuurheren een onderpand nemen. De vuurheren moesten ook acht geven op het werk van de nachtwacht.

De eed die de vuurheren moesten afleggen, luidde als volgt: ‘Wij gekorene vuurheeren loven en sweren dat wij volgens de cedulen, aan ons wordende gegeven, sonder aansien van personen, ons opgedragen ampt neerstelijk en getrouwlijk willen waarnemen. Soo moet ons God helpen.’

Soms werd de vuurcedule of ordonnantie aangepast, meestal naar aanleiding van een rampzalige brand in de omgeving. Bij de aanleg van een nieuw boek met resolutiën werd de wet van 1724 nogmaals opgeschreven als Ordonnantie off vuir sedel (lijst) waar na sigh de vuurheeren en burgeren sullen hebben te reguleren.

De wet bestond uit 15 artikelen:
's nachts moet het vuur met pannen of met een stolp bedekt worden, anders een bekeuring van zeven stuivers;
niet 's avonds of 's morgens voor zonsopgang het vuur naar buiten brengen op een onbehoorlijke plaats, 28 st.;
geen vlas of garen op de beddestede of bij het vuur leggen of hangen, 7 st.;
niet de lamp aan schoorsteen vallegies (gordijntjes) of aan garen hangen, 7 st.;
geen ongel (smeer), olie of vet na zonsondergang schrempen (sterk verhitten), 7 st.;
niet na 21.00 uur in de daere of eest (droogoven) stoken, vuur moet om 22.00 uur verwijderd of met een deur toegedekt zijn, 28 st.;
men mag in de winter van 19.00 tot 06.00 uur of zomers van zonsondergang tot -opgang geen vuur in de oven hebben of hierin stoken, 28 st.;
brouwketels en geneverbranderijen voorzien van roosters en met stenen toe maken en het vuur uitgieten, 7 st.;
niet voor zonsopgang braken of hekelen, respectievelijk 2 en 7 stuivers;
geen vuur in de stoven bij nacht, 7 st.;
niet ’s avonds bij de lamp dorsen, 28 st.;
iedereen moet een behoorlijke ijshaak hebben en er mag geen garen op hangen, geen ijshaak kost bij elke inspectie 2 stuivers en als er garen ophangt ook 2 stuivers;
vuurheren hebben om de drie weken voor deze inspectie het recht om de deure los te maken, 7 st.;
als iemand water uit de Vecht haalt of op de straat blijft staan labben en er is niemand thuis dan zullen de vuurheden het vuur aldaar uitgieten, 2 st.;
als Aaltje Kraak aan de volgende, laatste, bepaling had voldaan dan… niemand sal in de beddesteden mogen lugten, off sal verbeuren 7 strs.

Op zondag 9 november 1777 werd in Hardenberg voor de kerk een publicatie van de magistraat afgeroepen en nadien geaffigeerd (aangeplakt). Dit naar aanleiding van de brand, die enkele dagen eerder, Gramsbergen in de as had gelegd. Er werd geconstateerd dat in Hardenberg, ondanks alle voorschriften, lichtvaardig met allerlei brandstoffen werd omgesprongen. Daarom werd nogmaals het volgende aan de bevolking van de stad Hardenberg meegedeeld:
Niemand mag in het donker op zolders, deelen of stallen komen met een lamp of kaars die niet in een dichtgemaakte lantaarn is geplaatst. Ook niet met een brandende tabakspijp zonder dat deze met een blikken- of koperen hoedje of dopje is afgedekt.
Niemand mag ’s avonds naar bed gaan zonder zijn vuur met een pan of stolp te hebben afgedekt. Men moet de as eerst nat maken voor men dit naar buiten brengt.
Niemand mag continu hopen turf, hout enzovoort laten liggen in het vertrek waarin hij stookt. Daarin ook niet dorsen noch stro of vlas leggen. Ook niet dorsen bij een brandende lamp of kaars, zonder dat deze in een lantaarn is geplaatst, of met een brandende tabakspijp.
Als het vuur uit is gegaan en iemand dit bij de buren wil gaan halen, dan mag dit alleen in een dichte stoof.
Men mag geen tabak roken op straat zonder hoedje op de pijp.
Elk huisgezin moet binnen 14 dagen in het bezit zijn van een goed toegemaakte lantaarn.
Degenen die van de diaconie leven, zullen de lantaarn pro Deo krijgen.
De vuurheeren moeten zich strikt aan de cedulen houden, zonder daarin eenige conneventie te observeren (ze moeten zich streng houden aan de wet). De stads- en burgerwachten moeten 's nachts precies volgens schema hun omgang doen tot bij de pastorie. Mocht een burger of ingezetene iets te weten komen dat tegen de ordonnantie indruist, dan moet deze het direct aan de president melden. Van bepaalde overtredingen werd de opbrengst gebeurd door de vuurheren. Andere ontvangen boetes werden eerlijk verdeeld onder het gericht, de aanbrenger en de diaconie. Onderaan deze publicatie stond dat alles wat niet in deze artikelen werd genoemd, gelijk bleef aan de vorige wet.

Dat aan de voorschriften niet altijd werd voldaan, blijkt uit de volgende klacht van een van de vuurheren en uit de reprimande die de koster kreeg. In de nacht van 8 op 9 januari 1770 wordt door vuurheerde Berend Zweers een bekeuring uitgedeeld aan Hendrikus Bernarduszoon Wenink, knecht van Jacob van Coevorden, en aan Jan Zweers, knecht van Moleman, omdat ze geen dopjes op haar pijpen hadden, waaruit ze rookten, en waaruit het vuur van enige vloog. Berend had volgens hem gehandeld volgens de, sinds enige jaren bekende, ordonnantie maar de schippers wilden de daarop gestelde boete van 6 stuivers per persoon niet betalen.

In november 1780 komt het de magistraat ter ore dat koster Willem Lemnes Boerrigter zich vaak dronken drinkt. Zowel ’s nachts als overdag gaat hij op een gansch malitieuse (boosaardige) manier met zijn vrouw om, door haar te slaan, te schelden enzovoort. Bovendien gaat hij op het allerligtveerdigste met vuur om, zoals het roken van tabak in de beddestee en het lopen met licht zonder dat het in een lantaarn is geplaatst. De koster zal worden gelast om, als hij zich geen onheil op de hals wil halen, zich voortaan daarvan te onthouden. Ook moet hij zijn ambt als koster beter waarnemen, zowel met het gewone middag- en avondluiden, het overluiden der doden en meer.


Zegel van Stad Hardenbergh in rode was, anno 1778.

Op 27 maart 1788 werd er weer een nieuwe verordening op het vuur gemaakt. Deze bestond uit 19 punten en was grotendeels gelijk aan voorgaande reglementen. Inmiddels waren wel de boetes verhoogd. Voor het niet afdekken van vuur met een stolp betaalde men nu 12 stuivers.

Hardenberg en Gramsbergen waren niet de enige plaatsen die verbrandden. We lezen onder andere dat de magistraat in 1784 hulp bood aan het verbrande Zwartsluis en in 1786 aan Rijssen. Er werd geschreven: Toen ons in 1708 een dergelijke ramp overkwam heeft Rijssen ons ook geholpen.

Brandspuit

In 1760 schafte de stad een brandspuit aan en werden regels opgesteld hoe men deze zo snel mogelijk aan de gang kon brengen. De burgemeesters werden aangesteld als brandmeesters en moesten zorgen voor de uitvoering van dit reglement.

De brandspuit moest elk jaar twee maal geprobeerd en gesmeerd worden. De spuit werd bewaard in een daarvoor gemaakt brandhuis aan de kerk en verschillende burgers kregen hiervan de sleutel. Na ieder gebruik moest hij worden afgespoeld, vooral de slang en linnen zak moesten goed worden gedroogd. Voor het drogen en opbergen werden twee burgers aangesteld. Verder nog acht pompers, twee die de pijpe regeren en vier die acht geven op de slang en linnen zak en de pompers moeten helpen. Ze moesten bij handtastinge beloven met de meeste spoed bij de brand te komen en vooral ervoor zorgen dat de spuit niet beschadigde. Bij het proefspuiten moest tegelijkertijd een oefening gehouden worden met de burgerij, deze moest met emmers het water aandragen. Wie tijdens brand niet naar de burgemeesters luisterde, werd beboet met twee goudguldens. Wie niet zijn eigen emmer meenam, werd beboet met een goudgulden. Alle ingezetenen moesten in geval van brand zo veel mogelijk hulp verlenen. In geval van brand bij nacht moest in ieder huis een brandende lamp of kaars voor het raam worden gezet. Als loon zouden de aangestelden vrijstelling krijgen van pioneren of wegen maken. (Hier werd denk ik pionieren bedoeld. Men moest als hand- en spandienst letterlijk helpen de de weg te bereiden, te egaliseren. In het dialect spreekt men van pingelen.) Als een van de spuitgasten overleed, moesten de burgemeesters een ander aanwijzen. Zij moesten de orders van de burgemeesters stipt opvolgen.


Deze brandspuit werd gebruikt in het midden van de negentiende eeuw en werd geleverd door de koninklijke brandspuitmakers Gebr. Van den Noort in Kampen. Het was toen een hypermodern apparaat, maar het blussen bleef een enorme krachtsinspanning voor de spuitgasten. (afbeelding bron: Gemeentearchief Hardenberg)

In november 1798 werden de brandreglementen van maart 1788 en december 1760 aangepast en in 1810 lezen we dat de stad inmiddels twee brandspuiten met toebehoren bezit. Deze zijn en blijven geplaatst in de daarvoor gemaakte brandhuisjes aan de kerk. De oude spuit in dat aan de linker- en de nieuwe spuit met de aanbrenger, in dat aan de rechterhand. De sleutels zijn te vinden op het stadhuis, bij elke brandspuitmeester, bij elke substituut-brandspuitmeester, bij de stadsdienaar en verder bij de burgers G. Nijman, Antoni Odink, F. van Munster en Hendrik van ’t Holt.

De allereerste brandspuitgasten waren: Hendrik van ’t Holt en Antonij Vinke als pijpe leiders, Jan Hobert, Gerrit Hofsink, Werner Cremer en Jan ten Broeke als slang leiders, Abraham Moleman en Berent ten Broeke die op het drogen zullen passen en de pompers Hendrik Brink, Gerrit Goorhuis, Willem Meijer, Hendrik Ophof, Gerrit van Straten, Hendrik Goorhuis, Gerrit Lugt en Lugger… Brand.

Brandspuit in 1874

Terug Naar Boven