Sibculo en haar klooster.

D. Hesselink-Zweers

eerder verschenen in Rondom den Herdenbergh 2000 17/4

Over enkele jaren kan Sibculo haar 750 jarig bestaan vieren. Het tot nu toe oudst bekende document waarop de naam Sebekeloe voorkomt stamt uit 1253. In de maand maart van dat jaar was de bisschop van Utrecht, Hendrik van Vianden op bezoek in Goor. In zijn gezelschap bevonden zich een aantal geestelijken zoals de proost van de sint Paulus te Leodium (Luik). Ook waren er veel ridders met de bisschop meegekomen, dit waren onder anderen Henricus de Almelo, Fredericus de Arret en Hermannus de Satersloo. In aanwezigheid van al deze geestelijken en ridders verklaart de bisschop dat hij - op verzoek van abdis en convent - vergunning verleent het Cisterciënzer klooster sint Maria de Campe bij Covorde (Mariënkamp bij Coevorden) te verplaatsen naar Berlehare (Balderhaar) en Sebekeloe (Sibculo). In de oorkonde laat hij ook optekenen dat hij het klooster in het genot stelt van grove en smalle tienden aldaar (gedeelte van de opbrengst) en dat hij het klooster onder zijn bescherming neemt. Zestig jaar later wordt deze akte door bisschop Guido bevestigd. Het is dan al bekend dat de nonnen niet naar Sibculo zijn verhuisd maar naar Assen. Een jaar nadat bisschop Hendrik toestemming voor de verplaatsing had gegeven schonk Otto, graaf van Bentheim een gedeelte van het veld bij Itterbecke 'de Mortkule'. Daar werd een erve 'de Barlehaer' gebouwd en de nonnen kregen verlof om het vee uit hun stal overal op de woeste en onbebouwde grond en op de meente te laten weiden tot op de zuidelijke oever van de rivier die door de Venebrugge stroomt. In 1416 verkocht Lutgard Polmans, abdis van het klooster te Assen, dit erf met haar rechten aan het toen recent gestichte klooster van Onze Lieve Vrouw in Galilea te Zebekelo.

De naam Sibculo werd door de eeuwen heen op diverse wijzen gespeld: Sebekeloe, Zybbekeloo, Sibbekeloe, Sipkelo en allerlei varianten. Een verklaring van de naam is moeilijk te geven. Was het een bos dat Sebeke toebehoorde? Of verwijst het naar Sibbe (gezamenlijke verwanten)? Heeft het iets te maken met sipe, zijpe (siepelen, sijpelen), wat kan duiden op een beekje of vochtig laag land?

Stichting van het klooster van O.L.V. Maria van Galilea in Zybekelo.

Ongeveer 600 jaar geleden zochten de uit Hessen afkomstige priester Johan Clemme en de voormalige koster van de sint Nicolaas kerk te Deventer naar een afgelegen plek waar ze, samen met andere goede lieden, naar de geboden Gods en de Heilige Kerk konden leven. Ze vonden in de parochie van Hardenberg een eenzaam en afschuwelijk woest gebied. Het leek erop dat het gebied dat de naam Zibekeloe droeg 'van het begin der wereld onbewoond was geweest'. Deze wildernis of woestenij was bij uitstek geschikt om zich van de wereld af te zonderen en een leven te leiden tot Gods eer. Met steun van onder andere de deken en het kapittel van Deventer, van Johan de Wael, prior der Regulieren te Zwolle en van de in Zwolle wonende heer Gerard ten Bussche kon de onderneming beginnen. De parochie Hardenberg behoorde tot het klooster sint Mariënberg te Zwartewater. De monnik Godefridus Bosykens was door dit klooster als pastoor in Hardenberg aangesteld. Ook van hem en zijn klooster kregen Johan Clemme en de zijnen toestemming en hulp.

 
Op de plaats die men Zybekeloe noemde meenden verschillende mensen recht te hebben. Uit bewaard gebleven akten zien we dat de erfgenamen van de marken Bergentheim en Beerze en de Heren van Almelo afstand deden van dit gebied. Op Santé Barbaradach der heilige jonckvrouwe (4 december) 1405 gingen de eigenaren van Bergentheim naar Rolof ten Zande, richter te Hardenberg. Ze lieten een akte opstellen waarin ze afstand doen van Zebbekeloe ten gunste van priester Johan Clemme en de zijnen, want 'al het goede is ons geschonken door God in het Hemelrijk - Onze Lieve Heer rekent met ons zoals men Zijn minsten doet in Zijn naam'. De erfgenamen van Beerze lieten op Sante Nicolaasdach (6 december) door de rechter van Ommen een fundatiebrief opstellen en op Santé Gregoriusdach der heilige Paus (12 maart) 1406 deden jonker Egbert van Almelo en zijn moeder Beatrix eveneens afstand van de grond.

Na veel ontberingen en hard zwoegen kon men op de dag van sint Margaretha (13 juli) 1406 in het gebouwde kapelletje de eerste mis opdragen. De kapel met altaren zou volgens overlevering op 23 oktober 1406 ingewijd  zijn door Mathias van Budva, vicaris-generaal van Fredericus van Blankenheim, bisschop van Utrecht. Na enige tijd sloten de broeders 'des gemenen levens' zich aan bij de orde der Bernardijnen, de Cisterciënzer kloosterorde.

 

 

Een uitspraak van Bernardus van Clairvaux (1090-1154): V zult het werken in de bossen veel bevredigender vinden dan het lezen van boeken, u zult van de bomen en rotsen veel meer leren dan ooit van een meester'. De legende van het visioen dat Bernard had van de Heilige Maagd Maria werd overal verteld. Hij sloot zich aan bij de monniken van Citeaux (Cistercium). Deze Cisterciënzers hadden zich afgescheiden van de orde der Benedictijnen en predikten 'terug naar de basis'. In 1115 stichtte, de latere sint, Bernard zijn eigen abdij in de moerassige rietlanden bij Clairvaux.

Oversten en bewoners van het klooster.

In het kloosterarchief komen we veel namen van prioren tegen. De oversten en het convent kochten en verkochten grond en goederen. Men liet horigen vrij, nam broeders op in het klooster, kreeg schenkingen en soms een bedrag om voor de zielenrust van een overledene te bidden. De geschiedenis van de stichting van het klooster en de lijst van prioren zijn te vinden in de Kronijk van Arent tot Bocop en in Historia Episcopatus Daventriensis van Lindeborn.

1406-1418 Johan Bunink was eerst rector en vanaf 1412 prior, hij was afkomstig uit het Zwolse klooster Bethlehem en wordt beschreven als een godvruchtig en zachtzinnig man.
1418-1420 Johan Kleij, prior. In 1418 verklaart de priester Egbertus Bilrebeke, alias van Oetmersshem te stichten ter eere Gods, van de maagd Maria en alle Heiligen, en tot behoud zijner ziel, ene vicarii in het klooster der Heilige Maria, genaamd Galilea in Zybekelo, van de orde der Bernardijnen of Cisterciënzers. Fredericus, bisschop van Utrecht keurt dit goed en stelt Egbert aan als eerste vicaris. In 1429 wordt priester Egbert door Henricus Ovinck, proost van het klooster sint Mariënberch te Zwartewater aangesteld als stichter van een vicarii ter ere van de heiligen Chrispus, Benedictus en Bernardus. Dit wegens ongeschiktheid van de rector der parochiale kerk in Hardenberg. Deze vicarii zou in Hardenberg geweest kunnen zijn. Bekend is dat in 1574 de overleden vicaris van Onze Lieve Vrouwe te Hardenberg een testament naliet. Uit de opbrengst van de goederen uit O. L. V. werd in 1812 nog de schoolmeester betaald.
1420-1421 Johan Bunink werd voor de tweede keer prior. Na een jaar stierf hij door de gevreesde pest, evenals veel van zijn medebroeders.
1421 -1449 Johan van Leijden, prior. Onder zijn bewind werd er een bondgenootschap opgericht tussen de kloosters Mariënberg in IJsselstein, Mariënhave in Warmond en Maria van Galilea op Sibculo.
1449-1450 Aarnoud van Droste, prior. Een zeer geleerd, maar geen beminnelijk man. 1450-1454 Jacob van Dortrecht, prior. In zijn tijd begon men met het bakken van klinkers op de Balderhaar.
1454-1491 Gherlach van Kranenborch (van Deventer), prior. Hij was een zeer geliefd en barmhartig man en zorgde o. a. voor uitbreiding van het klooster en het aanbrengen van versieringen op de kerk. Een zoon van chirurgijn van den Grave uit Cleve woonde als monnik in het klooster. Deze Derick was smid en liet in 1490 al zijn goederen, behalve die in stad en land van Cleve, na aan het convent van Galilea. Naast alle giften waren er ook verliezen. Zo werd het klooster in 1489 door de medebroeder Hoesden bestolen van ongeveer duizend gouden Rijnse guldens. Zijn handlanger was een smid uit Kampen, deze had voor Hoesden een sleutel nagemaakt. De smid bekende dat hij zelf ook eens de kelner had bestolen. Uit diens 'schrijfselle uit zijn cantoer' had hij de 70 Rijnsguldens gestolen die de kelner in Vollenhove had gebeurd met de verkoop van schapen. In deze tijd was Wolterus Oetmerssen keldermeester, later wordt hij soms Wolterus Rover genoemd, had dit misschien iets te maken met de diefstal?
1491-1505 Herman van Oldenzael, prior, was een man van buitengewone geduldigheid. Hij liet een nieuwe eetzaal of refter bouwen.
1505-1506 Gherardus van Leijden, prior werd om onduidelijke redenen uit het ambt gezet. 1506-1506 Everhardus (Zelen) van Zutfen, prior. Hij stierf nog in hetzelfde jaar en werd in het kapittel begraven.

 
Op de grafsteen, thans nog te vinden op het kloosterterrein, staat waarschijnlijk 'Hyr leghet begrave Gurte Herteweghes van Swolle bidt voerde siele 1501'

1506-1542 Godfried van Delden, prior. Tijdens zijn regering kwam er een nieuwe religieuze stroming op gang. De vlugschriften van de Hervormer Luther vielen bij velen in goede aarde evenals de 'lof der zotheid' van Erasmus had gedaan. In het jaar 1523 dacht men dat het einde van de wereld nabij zou zijn. Sterrenkundigen hadden de zondvloed voorspeld, de Turken veroverden Rhodos, in Denemarken werd de koning verjaagd en in Sibculo werd door een grote Gelderse troepenmacht het klooster beroofd van alle voorraad. De prior van het naburige Albergen schreef in zijn kroniek over de brand, die rond het feest van Maria Boodschap (25 maart) het klooster grotendeels verwoestte. Door de toen al dagen aanhoudende oostenwind waren de daken uitgedroogd. Degenen die de leiding hadden over de bakkerij waren onvoorzichtig omgesprongen met het vuur en binnen korte tijd stonden ook de brouwerij en de aangrenzende panden in lichterlaaie. Terwijl de lekenbroeders haastig probeerden de bakkerij te redden, stortten plotseling de met stro gedekte panden in. Alles wat zich daarin bevond zoals vee, graan en gebruiksgoederen werd door het puin bedolven en door de hevige vuurgloed vernietigd. In de beginperiode was Wolterus Rover nog kelner, daarna Wernerus en Johannes Slotboem van Utrecht, ook wordt nog als kelner Johannes Busch genoemd.
1542-1545 Lambert van Kampen, prior. Hij was voor zijn aanstelling verzorger van het ouderhuis geweest en overleed in 1545.
1546-1547 Reinier van Kampen, prior was afkomstig uit het klooster Jesse bij Groningen. 1547-1556 Francois van Zwolle, prior. Hij is nadat hij de biecht had afgehoord te Mariënberg, en wat vrolijker dan naar gewoonte had gedronken, in de sloot verdronken. De kelner was Hermannus van Hardenberg.
1556-1565 Sanderus (Suir of Zuer) van Zwolle, prior. Hij liet in de kerk een orgel bouwen en deed om onbekende redenen afstand.
1566-1571 Johan van Kampen, prior. Uit vrees voor komende moeilijkheden in deze onveilige tijden deed hij afstand.
1571-1573 Herman (Kuper) van Deventer, prior. In 1573 was Johan Horstens procurator. In dat jaar meende de abt van Kampen dat hij het recht bezat een overste over het klooster aan te mogen stellen. Zo werd in 1573 Willem op de Raeij prior.

De kloosterbroeders hadden hem al snel verjaagd en zij verkozen in 1574 hun vorige prior Sanderus Suer van Zwolle. De abt van Kampen kwam daarop met gewapende mannen naar Sibculo en ze verjoegen Sanderus met geweld en wederom werd Willem op de Raey aangesteld als overste. De kloosterlingen waren hiervan echter niet gediend en verlieten demonstratief het klooster. Met de hulp van de abt van Citeaux en van Zijne Majesteit de Koning werd de abt van Kampen aan het verstand gebracht dat hij niets te zeggen had over het klooster Galilea. Op 25 september 1575 werd Sanderus van Zwol voor de derde maal prior en bleef hier wonen. Hij werd in 1593 nog als prior genoemd en kreeg van de Staten van Overijssel een pensioen.


Conventszegel van het klooster Sibculo

Toen Overijssel zich in 1579 bij de Unie aansloot en de Hervormde godsdienst in deze streken werd ingevoerd, kwam er een eind aan het bestaan van het klooster. Jan Claassen Rentinck had als laatste de goederen namens het klooster beheerd maar in 1598 besloot de Ridderschap en Steden dat Herman van Voerst het beheer kreeg. De kloosterlingen moesten in 1599 hun conventszegel inleveren en in 1602 werd Jorrien Sticke benoemd als rentmeester van zowel het klooster Sibculo als Albergen. Het schijnt dat pater Adriani van Oldenzaal in deze roerige tijden veel uit het klooster heeft kunnen redden en heeft overgedragen aan Sasboldus Vosmeer, proost van sint Plechelmi te Oldenzaal. Deze gaf de geredde zaken aan H. Vordenus en van hem gingen ze naar het Hollandsche Collegie te Keulen. De voorwerpen waren een voortreffelijk Mariabeeld met drie kostbare kronen, een verguld zilveren kelk met pateen, bijna 1 pond zwaar en nog een kelk met toebehoren met op de voet een beeld van de Heilige Jacobus, een onbekend gouden muntstuk, een kostbare koorkap, waarop de verrijzenis van Christus was gestikt en een pixis pro sacro oleo (zilveren busje met heilige olie). Veel schoon geschreven boeken werden later bewaard in het klooster Frenswegen, bij Nordhorn in de graafschap Bentheim en zijn vandaar in 1875 verhuisd naar Straatsburg. In het Rijksarchief te Zwolle worden o. a. de 'memorieboeken' over de jaren 1406 tot 1548 bewaard, hierin is van alles te vinden over de te innen pachten, de lekenbroeders, horigen en weldoeners van het klooster.

Cartularium van het Klooster Sibculo.

Eigendommen van het klooster buiten Sibculo.

Het klooster had veel bezittingen binnen en buiten Overijssel, vooral net over de grens in de Graafschap. Door oorlogsgeweld en roversbendes die door deze buurt trokken lagen de meeste erven verlaten of verwoest. De bevolking die steeds meer anti-katholiek werd probeerde de Spanjaarden te verjagen. Het kwam tot een veldslag op de Hardenberger heide bij de Stalbrink (zie het omslag van Rondom den Herdenbergh). Bij dit in 1580 geleverde gevecht waren veel mensenlevens te betreuren en het berokkende grote schade aan de bezittingen van het klooster. Veel erven lagen in 1601 nog 'belmundig' (verlaten). Op de verpondingslijst van het kerspel Hardenberg vinden we onder andere de volgende erven, toebehorend aan het convent van Sibculo, waarvan de pachters de garve betaalden aan de rentmeester:
Brucht:
Hennijnck, gepacht door Harmen Henninck.
Bergentheim:
Notfeltz, ligt verlaten zonder huis.
Nijenhus, gepacht door Oelbert Nijenhus.
Waterinck, gepacht door Gert Waterinck.
Wigminck, gepacht door Ewerdt Wigminck.
Een goed de Marrijenborch, gepacht door Lambert ther Marrijenborch.
Diffelen:
Hilverdinck, gepacht door Willem Hilverdinck.
Frilinck, gepacht door Roleff Frilinck.
Welinck, ligt verlaten zonder huis.
Nisinck, ligt verlaten zonder huis. Heemse:
Volckerinck, gepacht door Aerendt Volckerinck.
Felsinck, gepacht door Rotger Felsinck.
Krumhoff, ligt verlaten zonder huis.
Lutten:
Monnicke Meijer, gepacht door Albert Monnicke Meijer.
De meeste bezittingen van het voormalige klooster werden in de 18de eeuw door de provincie verkocht. Zo heeft onze familie Hesselink haar naam te danken aan voorvader Gerrit Schotman die met zijn vrouw Jennigje Welink (alias Lamberts) in 1762 voor ƒ 2900, - het kloostererf Hesselink in Beerze kocht. Een vorige pachter van dit erve had in 1758 de herberg op de Mariënberg gekocht, wat later ook Hesselink werd genoemd. Bij de grote verkoop in 1762 werd onder andere het Noo(r)dveld ingezet voor ƒ 4934,-, Hilferdink voor ƒ 4086,-, Vrijlink voor ƒ 4261,-. Het erf Wijchmink werd gekocht door Hermen Wijchmink voor ƒ 6530,-, Volkerink alias Schreurs door de heer Van Raesfelt voor ƒ 6600,- en Monnekemeijer alias Wolbink werd met de halve Rietgoor gekocht door kapitein Turnbull voor ƒ 9500-.

De buurtschap en haar bewoners.

Het kloosterzegel moest worden ingeleverd en hiermee werd in 1599 symbolisch een eind aan het kloosterleven gemaakt. Al snel werd de kerk en ander 'onnodig getimmer' afgebroken. Het hout werd door de provincie verkocht en het klooster raakte in verval. Pas in 1706 werd het bakhuis afgebroken, van de opbrengst van het verkochte materiaal werd de bouw van een nieuwe Wheeme (pastorie) in Hardenberg betaald. In de loop der tijden zijn met materiaal uit het gesloopte klooster verschillende huizen gebouwd. In 1660 is het klooster vervallen tot een ruïne. De namen van de ontstane erven en bewoners op Sibculo hebben natuurlijk te maken met het klooster, zoals op de Kelder, Bakhuis, Bouwhuis (de boerderij) en Hekhuis. In de 17de eeuw heeft de heer Van Almelo veel pogingen gedaan om het eigendomsrecht van Sibculo te krijgen, doch tevergeefs.
Toch zien we dat op 20 april 1748 de inwoners van Sipculo naar het stadhuis in Almelo gaan om daar een zogenaamde liberale gift te betalen. Men mocht de betaling in vier termijnen voldoen, maar bijna iedereen betaalde het bedrag ineens. De hoofdbewoners gaven meteen op met wie zij samen een huishouding vormden:
Roelof Hekhuijs. Zijn vrouw heet Geertje Lamberts en ze hebben geen eigen, noch voorkinderen of momberschappen (voogdij).
Jan Harmsen. Zijn vrouw heet Aaltje Geerts en er zijn zes kinderen: Geertje oud 15 jaren; Harmen 12 a 13; Jan 10; Hendrikjen 8; Esse 5 en Aaltjen 12.
Lucas Bouwhuijs. Zijn vrouw heet Geertje Gerrits en er zijn vier kinderen: Jude oud 20 jaren; Roelof 19; Hendrikje 16 en Jenneken in 't 6de jaar.
Harmen Bakhuijs. Hij betaald voor zichzelf, voor zijn broer Jan Bakhuijs en zusters Hendrikje Hendriks en Trijntje Hendriks. Ze zijn allen ongetrouwd en 'in gemeenschap van goederen sittende'.
23
Hendrik Lucas betaald de twee eerste termijnen. Zijn vrouw heet Geertjen Alberts en ze hebben geen kinderen.
Jan Geertsen. Zijn vrouw heet Geesjen Harms en er zijn twee kinderen: Gerrit oud 20 jaren en Harmen 16 a 17.
Jan Boer. Hij betaald 'vermits de onpasselikheijt van sijn vader' de twee eerste termijen voor zijn vader en moeder. Dit zijn Jan Boer en Hendrikje Roelofs, dit echtpaar heeft twee kinderen: de bovengenoemde Jan oud 22 jaren en Berentje 16 a 17 jaren oud. Jan Kelder. Zijn vrouw heet Hendrikje Arents en er zijn vier kinderen: Albert oud 6 jaar; Jennetje 4; Aaltje 3 en Geertje 2.
Gerrit Mensen schoolmeester te Sipculo betaald voor hem zelf en voor zijn oude moeder.
De schoolmeester is getrouwd met Hendrikje Gerrits en ze hebben drie kinderen: Hendricus oud 10 jaar; Willem in het 6de en Jennetje in het 4de jaar.
De meeste erven op Sibculo werden verpacht en rond 1795 door de provincie verkocht. Op het erve Lamberts op de Kelder werd onder anderen een bod gedaan door de meijer Lambert. De uiteindelijke kopers waren, elk voor een vierde deel, Jasper Zweers, Jan Godefried Pruim, Klaas Zweers uit Hardenberg en Hermannus Crull op de Venebrugge. Zij kochten ook gezamenlijk de erven Frederik Meulen, Harmen Lucas, Harms, Bakhuis en Hendrik Mensink. De Vrouwe van Rechteren kocht de erven Boers en Bouwhuis.
In oktober 1795 vond er een volkstelling plaats. In dit eerste jaar van de Bataafse Vrijheid moesten de bewoners van Sibculo zich in Hardenberg laten inschrijven. Er woonden in die tijd 75 personen in negen huisgezinnen op het klooster, dit waren: Hendericus Mensen (schoolmeester) doet opgave van 5 personen; Hermen Hermsen Lukes boer, 8 - Jan Boers boer, 10 - Jan Lamberts Kelder boer, 10 - Lukes Roelof Bouhuis, 9 - Hendrik Hermes, 8 - Teunis Gerrijt Bakhuis, 6 - Frerijk Gerrijt Muien, 7 - Jan Lubbers Hekgeers, 12.

 


Kadastrale kaart buurtschap Sibculo anno 1832.

Sibculo was één der kleinere buurtschappen in het Schoutambt Hardenberg. Zo telde Brucht 25 huisgezinnen met 143 personen, Bergentheim 22 met 158, Sibculoo 9 met 75, Diffelen 22 met 130, Reeze 38 met 211, Heemse 70 met 366, Collendoorn 15 met 91,
Lutten 17 met 120, Ennevelde 8 met 57, Aane 74 met 403, Holthoone 14 met 113, Holtheeme 25 met 159, Den Velde 12 met 81, Loozen 7 met 45, Baelder 39 met 177 en Radewijk 11 gezinnen met 88 personen. In stad Hardenberg woonden in de Voorstraat 79 huisgezinnen bestaande uit 390 personen, in de Achterstraat 58 met 239 en buiten de Stadsvrijheid 7 met 22 bewoners. Gramsbergen was ingedeeld in twee wijken, elk bestaand uit 20 huishoudens met 102 personen.

Opgravingen.

De fabrikant Ludwig van Heek, die erg geïnteresseerd was in archeologie had zich voorgenomen het klooster Galilea op te graven om er een zichtbaar historisch monument van te maken. Hij kocht de grond, waarop eens het klooster stond, van particulieren en provincie en stelde de oudheidkundige Jan ten Bruggencate aan om het opgravingswerk op zich te nemen.
Op 27 november 1926 voor mij Henry van Opstall, notaris binnen het arrondissement Almelo, ter standplaats Enschede, compareerde in tegenwoordigheid der beide na te noemen getuigen de heer Jan ten Bruggen Cate, fruitkweeker wonende te Albergen, als schriftelijke gemachtigde van:
1. Gerhard Herman Aalderink Harmszoon, arbeider, wonende te Sibculo, gemeente Ambt Hardenberg, zonder huwelijkse voorwaarden gehuwd met Hermina Maatman, beiden in eersten echt;
2a. Hendrik Jan Schipper Geertszoon, landbouwer wonende te Sibculo, gehuwd met
Maria Bakhuis, beiden in eersten echt;
2b. Jannes Bakhuis, landbouwer wonende te Sibculo, gehuwd met Hendrikje Heijink, beiden in eersten echt;
3. Hendrik Mollen, landbouwer, wonende te Sibculo, gehuwd met Hendrika Boers, beiden in eersten echt; van welke lastgevinge blijkt, bij drie onderhandsche acten van volmacht, die na door den comparant lasthebber in tegenwoordigheid van mij notaris en de getuige te zijn voor echt erkend en ten blijke daarvan door die allen en mij notaris te zijn getekend aan deze acte zullen worden vastgehecht. De comparant in gemelde kwaliteit verklaarde verkocht te hebben en mitsdien in eigendom af te staan en over te dragen aan den alhier medeverschenen heer Ludwig van Heek, fabrikant, wonende te Lonneker, die verklaarde gekocht te hebben en in koop en overdracht te accepteren:
De lastgever sub 1:
Een huisje met grond, gelegen nabij het voormalig Klooster te Sibculo, gemeente Ambt Hardenberg, voor zoo ver bekend, thans uitmakende de kadastrale perceelen Ambt Hardenberg sectie G nommers 313, 305, 458, 1328, 1329 en 1330, samen groot een hectare, twaalf aren en tien centiaren.
Lastgever sub 2:
De percelen grond gelegen ten noorden van den grindweg van het Klooster naar Kloosterhaar te Sibculo, gemeente Ambt Hardenberg, met daarop staande schaapskooi, kadastraal bekend als uitmakende:
a. perceel Ambt Hardenberg sectie G nommer 1496, groot negen aren en negentig centiaren.
b. de kadastrale perceelen Ambt Hardenberg, sectie G nommer 1331 en 1495, samen groot een hectare, vierendertig aren en negentig centiaren, het laatste nummer met uitzondering van een zuidwestelijk gedeelte ter grootte van ongeveer vijf aren.
Lastgever sub 3:
Een perceel grond, gelegen aan den grindweg naar Mariënberg, nabij het voormalig Klooster te Sibculo, uitmakende voor zover bekend het kadastrale perceel gemeente Ambt Hardenberg, sectie G nommer 1493, groot vijftien aren en twintig centiaren. Al het gekochte kan dadelijk worden aanvaard. De koopprijs bedraagt van het verkochte door den lastgever sub 1 ten bedrage van f. 1600, -. ; lastgever sub 2 ten bedrage van f. 850, - en lastgever sub 3 ten bedrage van f. 100, -.
De lastgever Schipper behoudt het recht om gedurende een tijdvak van vijfjaren aanvang nemende op heden op den voormelden door dezen en den lastgever Bakhuis verkochten grond schapen te hoeden en het vrije gebruik van de voormelde schaapskooi, (papieren en tituls: van het afgestane door den lastgever Aalderink eene onderhandsche acte van transport, geregistreerd te Ommen den 27-12-1912, overgeschreven ten hypotheekkantore te Deventer den 06-01-1913 in deel 571 nummer 128, zijnde het krachtens deze acte verschuldigde voldaan)
(van het afgestane door de lastgevers Schippers en Bakhuis: de processen verbaal van veiling den 09-06-1916 en den 23-06-1916 voor notaris Buddingh te Den Ham verleden, overgeschreven ten hypotheekkantore te Deventer den 03-08-1916 in deel 600 nummer 134)
(Van het afgestane door de lastgevers Schippers en Bakhuis: eene acte van transport den 23-02-1926 voor notaris Kruisinga te Vriezenveen verleden, overgeschreven ten hypotheekkantore te Deventer den 22-03-1926 in deel 710, nummer 74).

Opgraving van het klooster van Galilea in 1928.
       

 

De Provincie Overijssel verkocht op 23-07-1929 aan Van Heek een zuidwestelijk gedeelte van het perceel nr. 1484 van sectie G, groot ongeveer 0, 78, 00 hectare, voor de somma van f. 234 gulden. Met deze koop verbond Van Heek zich, mede voor zijn rechtverkrijgenden het aan hem verkochte perceelsgedeelte te bestemmen en voortdurend In stand te houden als een historische plaats met betrekking tot het voormalige Klooster te Sibculo. Hij moest over het gekochte overweg verlenen, ter breedte van minstens vier meter naar de voormalige algemene begraafplaats van de gemeente Ambt Hardenberg en naar de bestaande begraafplaats van de Nederlands Hervormde gemeente te Hardenberg.
In 1927 begon de heer Ten Bruggencate, die naam had gemaakt met bodemonderzoek in de Graafschap Bentheim en Oldenburg, met de opgraving van het klooster Galilea.

In het Salland's Volksblad verscheen op 29 juli 1927 het volgende bericht: 'Het ligt in 't voornemen van den onderzoeker de fundeering van 't klooster en de kloosterkapel bloot te leggen en de wellicht ingestorte kelders en gangen weer in hun vroegeren staat te brengen. Op de plaats van de oude kloostergaarde, waarin de monniken hun kruiden en bloemen kweekten, zal een nieuwe tuin worden aangelegd met een flora zooveel mogelijk aan het vroegere gelijk'.
Er wordt geschreven dat de opgravingwerkzaamheden werden belemmerd doordat het terrein tot ongeveer 1900 als kerkhof had gediend. 'Men zal deze week gereed komen met de restauratie van de circa vijf eeuwen oude kloosterput. Deze put die een diepte heeft van ongeveer acht meter is van ruwe blokken Bentheimersteen opgebouwd. Door middel van beton en ijzeren ringen werd de nodige versterking aangebracht'.
Dit was een moeilijk werk want de put moest zoveel mogelijk in dezelfde toestand blijven. Zelfs de mos- en varenplantjes die de binnenwand bedekten werden zorgvuldig ontzien. Bij de opgravingen kwamen de veldstenen van het straatje, dat de monniken hadden gelegd van 't klooster naar de put, weer voor de dag. Het bovengrondse deel van de put de windas met het kapje erop werd van een klooster uit Frankrijk aangevoerd. 'Wie weet, als die bultige heuvel eens tot religieushistorisch monument is omgewerkt, of Sibculo nog niet uit z'n eenzame rust wakker zal worden. Reeds nu komen ze van ver, en ziet men ze met eerbiedig gebaar fleschjes vullen met het donkerkoele water uit den ouden kloosterput'.
In de serie 'van eigen erf' door Harry Wonink verscheen in 1985 een artikel over het klooster van Galilea. Hierin een dagboek notitie van de streektaal-schrijver Hendrik Klaassen. Deze bracht indertijd een bezoek aan de opgravingen en schreef hierover 'een tochtje gemaakt over Tubbergen, Langeveen, Kloosterhaar en Bruinehaar naar Sibculo, waaronder het deskundig beheer van de heerd, ten Bruggencate te Albergen, de ruïnes van het vroegere klooster der Cisterciënzers worden blootgelegd. Men was reeds enkele maanden bezig, terwijl de arbeid (er werken twee personen), misschien wel een paar jaar zal duren.
Blootgelegd waren reeds enige kelders, waaraan men kan zien welk machtig bouwwerk hier eenmaal gestaan heeft. De voetstukken van gothische zuilen zijn bij het slopingswerk blijven staan, ontdaan van puin. Ook zijn grote stukken tegelvloer volkomen gaaf bewaard gebleven. Hier en daar ziet men nissen en de loop van een vroegere gang. Ook waren reeds een paar stookplaatsen ontdekt. Een uitgesleten drempel toont hoe vaak daar monniken in hun stille eenzame doening heen getreden zijn. Het klooster was opgetrokken uit grote rode baksteen afkomstig uit Balderhaar (metselen met kalk en roggemeel). Voor de fundamenten is ook ijzeroer gebruikt. Een bezienswaardigheid is ook de gerestaureerde kloosterput. De fraaie, gebeeldhouwde putrand is uit Frankrijk afkomstig. De put is afgedekt met een dakje dat vervaardigd is naar een kopie van een kloosterput te Beieren en boven in de top, welk een edele daad van piëteit, troont het kruis. Zo komen uit het puin en zand de resten omhoog van wat eenmaal een klooster was (1406-1600) waarin op de beste dagen niet minder dan 80 kloosterlingen hun woonplaats hadden. Tot voor korte tijd lag hier niets dan een verhevenheid in de uitgestrekte veen- en heidelanden. Ook ligt er nog een verlaten en verwaarloosd kerkhof waarop nog drie grafzerken liggen. Het is een eenzame, woeste streek aan de nieuwe provinciale weg van Langeveen naar Mariënberg. Thans ligt er een belangrijk historisch monument in wording voor de financiën zorgt de bekende groot-industrieel Ludwig van Heek uit Enschede. Wij wandelden over het heuvelachtige terrein en door de eeuwenoude ruïnes en daarna dronken wij nog thee bij de arbeider Aalderink (die er ook werkt) en begonnen toen de terugreis over Westerhaar, Vriezenveen naar Almelo. We zagen kleine, armelijke huisjes, turfhopen, grote heidevelden en eenzame venen, schrale dennen, eiken en berken. Alles getuigt er van zware arbeid en sobere levenswijze.'

 



 De kloosterput is thans nog te bewonderen, meer lezen op onze website.

Men legde de funderingen bloot en ontdekte waar de gracht, die het klooster had omringd, in verbinding had gestaan met een kanaaltje dat het klooster verbond met de Vecht bij Mariënberg. Daar hadden de Cisterciënzer kloosterlingen een uithof, waar o. a. de pachters hun garve moesten betalen. Vanuit deze plaats was Johan Clemme op zoek gegaan naar een geschikte locatie voor hem en zijn broeders. Hij noemde deze plek, gelegen in de marke Bergentheim en behorende tot de parochie van Hardenberg, naar Onze Lieve Vrouw Maria. In 1985 werd aan dit voorwerp speciale aandacht besteed door het Rijksmuseum Twente. Dit fraaie heft is gemaakt van koper en ijzer en dateert uit eind vijftiende begin zestiende eeuw. Het toont de afbeeldingen van de Heilige Barbara en de Heilige Catharina.
Tijdens de opgraving werden voorwerpen als munten, wapens, een speerpunt, koebellen en een heft van een mes met de afbeeldingen van heiligen erop  gevonden. Al deze vondsten werden ondergebracht in een boerderijtje, gelegen naast de kloosterput. Uit mondelinge overlevering is opgetekend dat bij het uitgraven het dak van een kelder was ingestort. Het zou gaan om een grafkelder onder het pand van Mollen. Na het overlijden van de heer Van Heek werd de opgraving stilgelegd.

Monument.

In 1970 werden de percelen sectie S, nrs. 69 (gedeeltelijk), 70, 71 en 74 aan de lijst van beschermde archeologische monumenten toegevoegd. In 1977 werd dit herzien, alleen een gedeelte van perceel sectie S nr. 74 bleek van wetenschappelijke en cultuur-historische betekenis te zijn. Op de van de lijst afgevoerde percelen werden o. a. de huizen aan de Kerkstraat gebouwd. In 1977 schrijft het Ministerie van C. R. M, dat het grootste deel van sectie S. nr. 74 en kleinere gedeelten van de nrs. 82 en 378 door de Monumentenwet worden beschermd.
Een groot deel van het archeologische monument is anno 2000 in het bezit van de Heilige Willibrordus parochie Vroomshoop en Geerdijk. U hebt het afgelopen jaar in de krant kunnen lezen dat deze parochie het kloosterterrein binnenkort bij inschrijving gaat verkopen.
Hopelijk wordt deze woeste grond, begroeid met loofhout, gras en brem, waar eens het klooster van O. L. V. Maria in Galilea stond, aangekocht door enige 'goede lieden'. Wie weet voelt de toekomstige eigenaar iets voor het uitvoeren van het in 1927 gelanceerde idee? De aanleg van bijvoorbeeld een nieuwe kloostertuin op dit religieushistorische monument zou een passend geschenk kunnen zijn voor het 750 jarige Sebekeloe.
 
Het behouden van Monumenten is een taak van de HistorieKamer Hardenberg. Anno 2000 heeft het voormalig Klooster van O.L.V. van Galilea te Sibculo onze aandacht nodig, v.l.n r. Henny v.d. Anker-v.d. Brand, Harm Hoving, Dinah Hesselink-Zweers, Erwin Wolbink en Jan Hofsink voor de kloosterput.

 

Aanvullende gegevens: zie onze website

Terug Naar Boven