Archieven: 2021-06-30

Toen, op 30 juni 1922: gedicht op het oude kerkhof.

Op 30 juni 1922 plaatste het Salland’s Volksblad onderstaand gedicht van de hand van Hendrik van Laar. De dorpsdichter uit Lutten schreef over het oude kerkhof Nijenstede aan de Stationsstraat in Hardenberg. Onder andere stond hij stil bij de oude grafstenen van de gebroeders Wolter en Willem Wolerts. Deze liggen heden ten dage nog altijd op het kerkhof en vormen samen de oudst bewaard gebleven grafzerken, daterend uit september en november 1656.

Op het oude kerkhof te Hardenberg.

Stille rustplaats mijner dooden,
Wordt ook eenmaal na mijn dood,
Dit, mijn hulsel, rust geboden,
In uw kille, donk’re schoot?

Zoo dacht ik op zekeren morgen,
Toen ik op dien akker stond,
Waar mijn Vaderen zijn geborgen.
Daar hun lijk een rustplaats vond.

’t Was als hoord’ ik iemand zeggen:
’t Scheelt een lijk toch niemendal,
Waar men het terneer gaat leggen,
Daar ’t tot stof verteren zal.

Kan U een graf bekoorlijk wezen,
Waarvoor geen achting wordt gevoeld?
Een graf, dit doen de zerken lezen,
Dat menigmaal is omgewoeld.

Reeds eeuwen lag hier ’t dor gebeente,
Van menig mensch als mest verstrooid.
Maar om dat oude grafgesteente,
Opnieuw t’ontcijferen, dacht men nooit.

Doen tweetal ons geen raadsel lezen,
Geeft het geen oorzaak dat men zegt;
Wat zouden dat voor lieden wezen,
Wiens lijk hier is te rust gelegd?

Wel kan men daar de sterfdag lezen,
Van twee uit ’t mannelijk geslacht;
Maar, wat de werkkring was van dezen,
Is niet in steen op schrift gebracht.

Was een de zoon? de andere vader?
Of is ’t dat men hier broeders vindt?
Kwam d’een den ouden dag al nader?
Werd d’andere door een maagd bemind?

Vond hun de dood in bloei van ’t leven?
Of waren beider haren grijs?
Werd eer en achting hun gegeven?
En stelde men hun werk op prijs?

Men gist en ’t moet bij gissen blijven,
Slechts naam en sterfdag zijn genoemd.
Meer liet men in die steen niet schrijven,
Hun daden worden niet geroemd.

Dat zij eens leefden is wel zeker,
Dat zij gestorven zijn gewis.
Waar vindt men echter eens een spreker,
Die zegt waar hunne ziele is?

Gaan wij de zerken thans beschouwen,
’t Zij hard cement of marmersteen,
Dan spreekt men kinderen, mannen, vrouwen,
Gewoonlijk zalig in ’t gemeen.

Ik zal dit nu niet tegenspreken,
Dock ‘k denk wel eens, is dat niet kras,
’t Is toch in ’t leven nooit gebleken,
Dat dit een kind des Heeren was.

’t Zou beter zijn, naar mijn gedachten,
Dat mokerslag en stalen stift,
Niets anders op den grafsteen brachten,
Dan wat van Wolers werd gegrift.

Nooit hebben Wolers kunnen droomen,
Dat na tweehonderd zestig jaar,
Hun naam nog in dit blad zou komen,
Door een geringen rijmelaar.

Verlaten wij nu in gedachten,
Het oude kerkhof in de Stad,
Waar wij Hem eeuwen offers brachten,
Die doornen strooit op ’t levenspad.

Men zocht en ziet men heeft gevonden,
Een plaats, waar ’t hulsel van den mensch,
Straks door ’t gewormte wordt verslonden,
Is dit nu wel naar ieders wensch?

Ook daar zal weer de dood regeeren,
Ten einde toe in al zijn macht,
Maar ’t stof van ’t lieve volk des Heeren,
Rust daar op hunne slaapstee zacht.

Daar hoort men geen gevreesden drijver,
Geen lastertaal of gekkernij,
Daar rust de pen der leugenschrijver,
Daar is men van de zonde vrij.

Dan is de ziel de romp ontvloden,
Die stofwolk zo aan d’aard gehecht,
En wordt dan eeuwig rust geboden,
In ’t paradijs haar toegezegd.

Dan blijft zij als een parel blinken,
In Jezus heil’ge gloriekroon,
En als de Godsbazuin zal klinken,
Krijgt zij het lichaam weer ter woon.

Geen lichaam stinkend door de zonden,
Maar rein gewasschen door het bloed,
Dat drupte uit des Heilands wonden,
Die voor de Zijnen heeft geboet.

Neem een kijkje op dit oude kerkhof via


Toen, op 25 juni 1913: naar de stembus.

Maak gebruik van uw stemrecht, zoals onze voorvaderen dat meer dan een eeuw geleden ook deden op 25 juni 1913. Deze foto werd die dag gemaakt in het stadhuis (nu museum) van Hardenberg door de lokale fotograaf Berend Jan Breukelman HJzn. De stembus staat op tafel.

Drie maanden later, op 29 augustus, kon koningin Wilhelmina de nieuwe bewindslieden van het liberale kabinet Cort van der Linden beëdigen…


Toen, op 22 juni 1939: afscheid burgemeester Van Riemsdijk.

Op 22 juni 1939 nam burgemeester Cornelis Johannes van Riemsdijk afscheid van de voltallige gemeenteraad, wethouders en gemeentesecretaris Koek van Gramsbergen, in verband met zijn eervol ontslag per 1 juli.

Dit groepsportret is gemaakt tijdens die gelegenheid. Van Riemsdijk zit met het ambtsketen om zijn nek en wordt geflankeerd door de wethouders De Jager en Meilink. Tijdens Van Riemsdijks burgemeesterschap verrees het gemeentehuis, werd riolering aangelegd, een motorbrandspuit aangeschaft, wegen in de kern opnieuw bestraat en werden alle straten tussen de buurtschappen ‘door harde wegen met elkander verbonden’.

We houden ons aanbevolen voor meer namen van afgebeelde personen.


Toen, op 20 juni 1932: de elevator van Bruins in gebruik genomen.

Deze foto verscheen in het geïllustreerd weekblad ‘Van Eigen Erf’ van 23 juni 1932. Twee dagen later schreef ‘onze’ eigen krant ‘De Vechtstreek’:
“Hardenberg. Elevator.
Aan de firma J. Bruins en Zn. alhier is vergunning verleend tot het oprichten van een elevator op de los- en laadplaats aan de rivier de Vecht. Hieruit mag wel geconcludeerd worden dat de graanhandel in deze gemeente in belangrijke mate toeneemt. Voor de firma Bruins betekent dit een grote vooruitgang, aangezien zij hierdoor vlugger en goedkoper haar granen gelost krijgt. Maar het gevolg van de rationalisatie van het bedrijf zal natuurlijk zijn: vermindering van arbeid”.

Het Salland’s Volksblad schreef op 24 juni 1932:
“De firma J. Bruins gaat met den tijd mee en heeft thans een elevator in gebruik genomen voor het lossen van graan. Maandagavond den 20sten jl. waren wij er getuige van dat deze in gebruik werd genomen. In zeer korten tijd kan men thans een schip lossen. Een electrische motor zorgt voor de kracht die noodig is om het graan uit het schip op den wagen te transporteren.”